Vrijheid, individualiteit en westerse moderniteit

De menselijke vrijheid komt met een tijdlijn en een context. In de westerse cultuur is er de persoonlijke tijdlijn, die zich afrolt binnen een groter geheel van tijd, waar we ons weinig bij voor kunnen en vaak ook willen stellen. Het concept ‘vrijheid’ zie je als iets dat wel of niet gegeven is binnen jouw leven of dat van een ander. Tot zover herkenbaar?

Laten we uitzoomen naar de geschiedenis van dit individuele vrijheidsbegrip. Tot ver in de achttiende eeuw was in Europa heilsgeschiedenis de norm. De individuele, relatieve, vrijheid werd gezien als een gegeven dat zich afwikkelde binnen een algemeen menselijk collectief, dat zich gezamenlijk diende te verheffen, tot de terugkomst van Christus en het einde der tijden eindelijk zou komen: een punt waarop de universele vrijheid, die niet gegeven was binnen het aardse bestaan, zich zou manifesteren voor allen die zich tijdens hun leven hadden weten te verheffen. Het was dan ook, voor wie hiertoe de tijd had binnen zijn of haar leven (een leven dat voor de meesten toch in de eerste plaats in het teken stond van hard werken om te overleven) een individuele taak om de hele mensheid zover te krijgen dat men de verheffende normen en waarden van het heersende christendom zou accepteren. Vandaar het vele missiewerk, dat, natuurlijk en helaas, veelvuldig gepaard ging met het opleggen van normen aan anderen, die deze waarden nog niet zouden bezitten.

Aan deze conceptie van vrijheid op een tijdlijn liep een andere parallel: vanaf de late middeleeuwen zien we steeds meer de opvatting dat een persoonlijke relatie met God – die de absolute en in dit leven onbereikbare vrijheid symboliseerde – belangrijk zou zijn, en langzamerhand ontstond de norm om in de eerste plaats te denken over vrijheid in termen van iets persoonlijks. Dit was bevrijdend voor lager opgeleide en arme individuen: de gedachte zonder tussenkomst van kerkelijke machten een eigen pad te kunnen belopen naar de vrijheid die God heette en het paradijs aan het einde der tijden. Maar deze persoonlijke dimensie bevond zich nog wel op een langere tijdlijn. Het bemachtigen van jouw eigen vrijheid was een individueel en relatief streven binnen een geschiedenis, die begonnen was met de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs en zou eindigen in de tijdloze vrijheid van het hemelse koninkrijk.

Deze notie van een parallelle ontwikkeling van twee vormen van vrijheid, relatief en individueel en absoluut en collectief, ging een andere kant op toen ook de verwerving van materiële vrijheden steeds meer gezien werd als iets dat aan individueel levensheil gekoppeld kon worden. Het protestantse werkethos belooft, kortgezegd, een plek in het paradijs voor wie hard werkt.

In de ontkerkelijkte samenleving, waarin de tijdlijn van een heilsgeschiedenis losgelaten is, is de conceptie van een na-tijdelijk hiernamaals geïmplodeerd; hard werken geeft toegang tot een materieel en tijdelijk paradijs op aarde voor afzonderlijke individuen. Omdat overgangen in de geschiedenis nooit abrupt zijn, is dezelfde morele verheffing die oorspronkelijk werd geassocieerd met de hele christelijke gemeenschap hierin zelfgenoegzaam blijven doorklinken. Uiteindelijk is er dan nu het paradijs op aarde voor wie zich slim weet te bewegen in de gegeven economische hiërarchie van de maatschappij of voor wie rijk geboren werd – en nog steeds zijn we betoverd door het oorspronkelijke christelijke ideaal dat wie maar hard werkt, zich vrijheid kan verwerven.

Ook vele moslims kennen nog de opvatting van een eindtijd en ook zij koppelen, net als wij toen, het ideaal van vrijheid aan bekering tot het ware geloof van de islam. Het eigen leven is relatief, de vrijheid die komen gaat is waar het om gaat. Mensen over de hele wereld groeien op met een geloofsbeeld waarin vrijheid gezien wordt als een op aarde maar moeilijk te bereiken ideaal dat geassocieerd moet worden met God, maar weten zich feitelijk geplaatst in een context waarin westerse mensen zich, over de hoofden van anderen, materiële vrijheden verwerven en verworven hebben, die, zeker sinds de internetrevolutie, voor iedereen zichtbaar en jaloersmakend zijn.

In een maatschappij waarin een hoge mate van individuele vrijheid de norm is, is het makkelijk om te vergeten dat dit gegeven contextgebonden is. Het is makkelijk om te denken dat vrijheid slechts een abstract concept is, waarvan het toevallig is als het je in het aardse bestaan gegeven wordt. De westerse tijdlijn van de verwerving van vrijheid heeft een massagraf achter zich gelaten. Het wordt tijd dat we minder gelovig worden en het abstracte en lege vrijheidsconcept geen voorrang meer geven. En dat we meer gelovig worden en ons in herinnering brengen dat universele vrijheid een tijdlijn zou moeten kennen. Daarbij komt de vraag wat we doen met onze vrijheid. In onze neoliberale en door data gedomineerde maatschappij wordt persoonlijke vrijheid als commercieel goed uitgebuit.

 

Geplaatst in Vrijheid

Over Joyce Pijnenburg

Joyce Pijnenburg is filosoof en cultuurhistorica gespecialiseerd in de geschiedenis van westerse mystieke filosofie. Zij houdt een praktijk voor filosofie, geeft colleges en workshops en verzorgt meditatie.