U heeft een visie op onderwijs? De leerkracht nog meer.

Stel je een klas voor met een kleine 100 leerlingen van verschillende leeftijden samen met 1 à 2 leerkrachten, waarbij iedereen vrij individueel aan de slag gaat en waarbij een leerkracht de oudste les geeft die op hun beurt les geven aan de jongere, en zo verder. Klinkt hypermodern? Ik beschreef net het mutueel onderwijs dat op het einde van de 19de eeuwe populair was in onder andere Parijs en Brussel.

De discussie progressief versus conservatief in onderwijs is namelijk niet nieuw. Meer nog: zinnen als “het kind centraal stellen”, “natuurlijk leren” of het belang van authentiek leren gaan terug tot de Romantiek. Deze beweging en de nodige tegenbewegingen hebben de voorbije decennia (en langer) voor golfbewegingen gezorgd in het denken over onderwijs.

Bij de tegenstelling in het onderwijs tussen progressief enerzijds en conservatief anderzijds zijn er twee issues die beide kampen vaak over het hoofd zien en die de debatten soms vermoeiend kunnen maken: “beide hebben hun merites” en “iedereen is progressief”.  Ik leg graag beide uit.

In 2012 onderzocht Margeret Brown de schoolresultaten van leerlingen uit Britse scholen. Haar bedoeling was om progressieve aanpakken te vergelijken met scholen die eerder een conservatieve benadering propageren. Hierbij stootte ze eerst en vooral op een eerste probleem: de invulling van progressief en conservatief is vaak niet eenduidig te maken. Maar na een vrij arbitraire opdeling te hebben gemaakt, bleken de verschillen tussen scholen gemiddeld zo goed als onbestaand. Ook qua welbevinden is het niet zo dat leerlingen in progressieve scholen minder graag naar school gaan dan in meer traditionele scholen. We zien iets gelijkaardigs als we uitzoomen naar landniveau en kijken naar landen of regio’s die zeer goed scoren op internationale vergelijkingen. Zuid-Korea en Finland scoren beide hoog, maar kunnen qua aanpak niet meer verschillen. Zuid-Korea kan relatief makkelijk in de meer traditionele hoek geplaatst worden, Finland wordt vaak geroemd als het schoolvoorbeeld – pun intended – van progressief onderwijs. Maar de resultaten verschillen gemiddeld zeer weinig, en qua welbevinden scoort Finland verrassend allesbehalve best volgens PISA.

Het tweede issue is dat onderwijsdenkers in feite per definitie progressief zijn, maar dat de manier waarop vooruitgang gemaakt kan worden, grondig kan verschillen. Hiervoor verwijs ik graag naar Hannah Arendt. Deze filosofe stelde dat onderwijs per definitie conservatief moet zijn, omdat een van de taken van het onderwijs is datgene door te geven aan de volgende generatie wat we als samenleving belangrijk vinden. Maar dit is slechts een deel van het verhaal. Onderwijs moet dit namelijk doen met een heel specifieke reden: opdat de volgende generatie zijn eigen keuzes kan maken wat te bewaren en wat weg te laten. We geven mee opdat de volgende generaties verdere progressie kunnen maken, zonder per se het wiel opnieuw uit te vinden.

In de dagelijkse klaspraktijk, en nu verwijs ik terug naar Margaret Brown, blijken leerkrachten in de omgang met hun leerlingen vaak noch conservatief noch progressief, ze zijn vooral eclectisch. Leerkrachten zijn vooral sterk in het maken van een persoonlijke collage aan aanpakken die voor hen en hopelijk hun leerlingen het beste werken. Dan blijken veel leerkrachten die denken veel interactie bij hun leerlingen te leggen, meer gestuurd te werken dan ze zelf denken. Tegelijk blijken veel leerkrachten die eerder zichzelf conservatief zouden situeren meer los te komen van doceren of sturing dan de buitenwacht vermoedt. Er zijn natuurlijk steeds uitzonderingen, maar een beetje lesgever probeert iets anders als ze merken dat wat ze doen niet werkt. Dit laatste is vaak de belangrijkste reden voor hun eclecticisme.

Daardoor zijn discussies over wat nu de beste aanpak is – los van progressief of conservatief – gedoemd te verzanden. One size fits all bestaat niet, wat elke goede lesgever beseft. Variatie is cruciaal omdat er niet een aanpak of visie bestaat die voor alle doelen bij alle leerlingen in elke context werkt. Discussies en inzichten over wat wanneer werkt en waarvoor zijn dus veel relevanter.

Maar moeten we het dan helemaal niet meer over visies hebben? Toch wel, al is dit dus vaak iets voor beleidsmensen en andere mensen buiten de klas. Het belang van een visie voor een school bevindt zich in een andere hoek. Daniel Muijs van de universiteit van Southampton wees er in een recent overzicht op dat een eenduidige visie van een school belangrijk is voor het leren, omdat de leerlingen de school zo als een coherent geheel ervaren. Maar welke visie, dat is dus minder belangrijk.

De discussie progressief versus conservatief onderwijs zal nog lang niet gaan liggen en heeft zeker zijn waarde, maar dus vaak minder in de klas. Daar doen leerkrachten namelijk vooral hun job voor onze kinderen. Ook dat is iets dat niet nieuw is, gelukkig maar.

Geplaatst in Educatie

Over Pedro de Bruyckere

Pedro De Bruyckere is pedagoog en onderzoeker aan de Arteveldehogeschool. Hij schreef als co-auteur verschillende boeken over jongeren en onderwijs, waarvan "Jongens zijn slimmer dan meisjes" (LannooCampus, 2013) kritisch naar mythes over leren en onderwijs kijkt. Van dit boek verscheen in 2015 een geüpdate, Engelse vertaling. Pedro blogt dagelijks op xyofeinstein.be (Nederlandstalig) en theeconomyofmeaning.com (Engelstalig).