Het één sluit het ander niet uit

Toen ik een jochie was kwam ik in de harde wereld die punk heette terecht. Oh wee als je de verkeerde band aanhing! En dat veranderde per dag. The Ramones uit, GBH in. De Britse straatpunkband Blitz werd in Nederland van het podium gekegeld, omdat ze het waagden een keyboard op het podium te gebruiken. Niet echt een sfeer om naar buiten te komen met mijn andere voorkeuren qua muziek. In diezelfde tijd ontdekte ik namelijk ook witte soulbands als ABC en Heaven 17. Beiden vond ik geweldig. Toen ik een keer bij mijn buurman een tape opnam omdat mijn deck stuk was en The Exploited op de ene kant zette en the Human League op de andere kant, wist hij niet wat hem overkwam. Terwijl hij eigenaar was van een grote discotheek en elke werkdag in de muziek zat.

Mijn werkzaamheden als dj gaan gepaard met een constante voorkeur voor songs en het creëren van de juiste sfeer. Wanneer je voorkeur snel opzoekt betekent het ‘de keuze die je het liefst zou maken’. Hierbij komt gelijk mijn smaak (o.a. vertaald als ‘onderscheidingsvermogen ten aanzien van kunst en literatuur speciaal met betrekking tot het waarderen en scheppen ervan’) naar voren. Evenals de erkenning dat sommige songs en sfeermakers niet mijn persoonlijke keuze zijn, maar wel mijn professionele voorkeur kunnen genieten. Hier volgen twee voorbeelden:

Voorbeeld 1; afgelopen najaar draaide ik tijdens een klus in een zaal van 800 bezoekers. De avond draaide om hedendaagse dansbare hits met uitstapjes naar Electronic Dance Music en Drum & Bass. Dan is het zaak om bij zo’n uitstap nummers uit te zoeken die direct ‘staan’ tijdens de avond en herkenbare samples te hebben die een remix of bootleg zijn van bekende nummers. Geen minutenlange opbouw dus. De avond verliep zoals ik wilde, elke verandering in sound of tempo zorgde voor een golf van enthousiasme en herkenning.

Voorbeeld 2; eind december stond ik met muziekvriend Bankster een twee uurs-set ‘Footwork / Juke’ muziek te draaien in de zweterige undergroundkelder ‘Hoboken’ in Rotterdam. Als ik op dezelfde wijze keuzes zou maken als in voorbeeld 1, haal ik het derde nummer niet. Dan stoppen de dansers en overstemt boegeroep mijn muziek. Mijn tracks gebruik ik hier juist voor de opbouw van de set. Een onverwacht intro, gevolgd door onbekende nummers in een gedetailleerde mix, die ervoor zorgt dat de performance een eigen sound krijgt. We proberen te verschillen van de andere dj’s die voor en na ons kwamen. Liedjeskennis en drive zorgden ervoor dat bij onze set het dak eraf ging.

Kennis, smaak, keuze en voorbereiding zijn de basis van succes bij beide voorbeelden. Het is mogelijk om van meer soorten muziek te houden en er dj-werk mee te  vinden. Mijn start als dj in 1993 zat in de ‘alternatieve hoek’, punk, metal en rock. Draaien bij concerten in Nighttown Rotterdam werd afgewisseld met dj-en op alternatieve dansavonden. In die tijd betekenden beide opdrachten het aanvoelen van de tolerantie van bezoekers ten opzichte van ‘commerciële’ en ‘andere’ muziek. Hip hop ja, house nee. Popmuziek soms, top 40 niet. Lastig en per plek verschillend. Een uitdaging om de grenzen op te zoeken. Bij metalconcerten af en toe hip hop draaien, gewoon doen. Het publiek komt niet voor jou, maar gaat ook niet weg door jouw muziek. Wel oppassen om een bierdouche te voorkomen, één nummertje en dan weer snel een bekende (head)banger opzetten.

Er waren ook muziekcafé’s waar op drukke dagen ‘gewoon’ publiek tussen de connaisseurs rondliepen. Daar paste wel pop- en dansmuziek tussen de rock door. Daar lag de kans. Het personeel had er geen bezwaar tegen. Integendeel, graag zelfs. Het zorgde voor een optimistische sfeer. Je moet eens proberen een vrolijke vrijdagavond gaande te houden met alleen door ‘Marshall’ versterkers vervormde gitaren-liedjes. Alleen te doen voor hardliners. Door deze bredere muziekkeuze belandde ik in andere clubs, waar de volgorde van muziek volledig omgekeerd was. Soms een rockplaatje tussen de urban klappers door.

Mensen in de wijde omgeving van Rotterdam kennen mij van het dj-en. Velen daarvan zie ik alleen op hun eigen territorium. Soms komt een rockconcertbezoeker op een dansavond of een jazzmiddag en dan volgt vaak de vraag: ‘draai je dit ook joh?’ Zelden komt er kritiek. Soms iets op social media. ‘Wat doe je op een ouwelullen zender? Blijf toch bij de punk!’ Maar ik heb geen voorkeur. Wel mijn smaak in verschillende muziekstijlen.

Een term als ‘foute’ muziek heeft eigenlijk een dubbele bodem. Wat eigenlijk verkeerd zou zijn om leuk te vinden, niet je keuze zou zijn of wat in je smaak past. Wat betekent het als je meezingt met ‘Barbiegirl’, een solo luchtgitaart bij The Final Countdown en gabberdanst op ‘Wonderful Days’? Dat het je uitvaartmuzieklijst waarschijnlijk niet zal halen, maar wel de werkweek doet vergeten. Daar is niets verkeerd aan. Toch?

Twisten over smaak is onnodig

Er zijn heel wat spreekwoorden die over smaak gaan. De bekendste zijn ‘honger maakt rauwe bonen zoet’ en ‘over smaak valt niet te twisten’. Spreekwoorden zijn volkswijsheden die je gebruikt zonder er veel over na te denken. Toch is het soms interessant om dat wel te doen. Dat we zelfs rauwe bonen lekker vinden als we honger hebben, wijst bijvoorbeeld op een mooi biologisch mechanisme: we vinden lekker wat we nodig hebben. De Engelse variant van het spreekwoord is daarom nog mooier: “hunger is the best spice”. We hebben een ingebouwd computertje dat de behoeften van ons lichaam monitort. Zo gaan veel zwangere vrouwen ineens aan de augurken, personen met een aanstaande verkoudheid eten zich plotseling suf aan sinaasappels en stresskoppen voelen zich gelegitimeerd om ongeremd chocola te snoepen. Dit soort mysteries van het lichaam zijn nog lang niet allemaal bekend, maar het is zonder meer interessant om er meer van te weten.

“Over smaak valt niet te twisten” verdient ook een beter lot. Het is diepgeworteld. We kennen het al uit het Latijn: “de gustibus non est disputandem”. Het was beter geweest als we vanaf het begin niet over smaak maar over “voorkeur” hadden gesproken. Daarover valt namelijk veel minder te twisten dan over smaak. Dat wordt duidelijk als je je verdiept in het verschil tussen smaak en proeven. In het normale taalgebruik vinden we smaak persoonlijk. Proeven is dat uiteraard ook. Wetenschappelijk gezien is er dan een probleem: als én smaak én proeven persoonlijk zijn, dan valt het niet goed te onderzoeken. En dat is volgens mij ook precies wat er is gebeurd:  sinds Aristoteles zijn we op het gebied van het ontdekken van smaak relatief weinig verder gekomen.

De grote mannen en vrouwen van de natuurwetenschappen hebben zich verdiept in van alles, behalve smaak. Stel dat Newton die appel die naast hem neerviel, nu eens had opgegeten. En stel dat hij zich was gaan verbazen over de smaakverschillen tussen appels. Of over zijn eigen voorkeuren voor bepaalde appels op bepaalde momenten of toepassingen. Hij had dan vast concepten beschreven die ons zouden helpen om smaak te benoemen. Precies zoals hij met kleur heeft gedaan. Toen hij daarmee begon was de heersende vraag: “hoe maakt dat prisma de kleuren van de regenboog uit wit licht?” Newton ontdekte dat die kleuren in het licht zelf zaten en niet in het prisma. Door die cruciale stap weten we nu alles over het zichtbare deel van het spectrum, de golflengte van licht, meetbaar in tienden van nanometers of ångström.

Als we smaak nu eens zouden definiëren als een producteigenschap. Dus, als het resultaat van allerlei moleculen in diverse hoedanigheden. Natuurwetenschappelijk. Want de mens kan verschillend denken over een bepaalde augurk, sinaasappel, of chocoladereep maar het product is feitelijk hetzelfde. Evenzo is zout, zout en zoet, zoet. Als iemand zout, zoet noemt dan kijk je hem vreemd aan en je vindt dat hij een probleem heeft. Precies zoals je denkt over iemand die rood niet kan zien. Rood blijft gewoon rood, een onderdeel van het zichtbare spectrum, onafhankelijk van de waarnemer. Zo kun je smaak ook benaderen: als iets buiten ons.

We hebben zintuigen om alles wat buiten ons is waar te nemen. In het geval van smaak noemen we dat proeven. We gebruiken al onze zintuigen in de smaakwaarneming; zeker niet alleen de tong met zijn smaakpapillen en de receptoren voor zoet, zuur, zout, bitter, umami, vet, koolzuur, et cetera. Ja, inderdaad, je leest het goed: het rijtje van de traditionele basissmaken is langer dan we ooit dachten. Behalve die receptoren hebben we ook onze neus, tastzin, ogen en oren nodig om alle dimensies van smaak ten volle waar te nemen. Al die indrukken worden in de hersenen verzameld en leiden tot onze persoonlijke waarneming van smaak. Juist omdat er zoveel verschillende zintuigen een rol spelen is het heel goed denkbaar, misschien wel waarschijnlijk, dat de smaakperceptie van de ene persoon afwijkt van een andere persoon. En dat terwijl de smaak zelf, hetzelfde is. Dat maakt het nog boeiender.

Smaak kan inderdaad objectief beoordeeld worden. Je hebt dan nieuwe concepten nodig. Uit mijn onderzoek blijkt dat de begrippen “mondgevoel” en “smaakrijkdom” bijzonder bruikbaar zijn om smaak te beschrijven. Beide concepten hebben eigen dimensies die relatief gemakkelijk herkenbaar en meetbaar zijn. Het is nog te vroeg om te pretenderen dat deze manier van kijken het ultieme antwoord is op het classificeren van smaak. Het is een stap die laat zien dat het kan. Het is ook nuttig om te doen, want het maakt het mogelijk om smaak te koppelen aan voorkeur. En dat is belangrijk, want dan kun je de smaak vinden die het best bij jou past – en die je daarom het lekkerst vindt. Nog veel lekkerder dan rauwe bonen. In de gastronomie heeft dat ons al erg geholpen.

Over smaak valt te twisten

In tegenstelling tot wat de oude dooddoener zegt, valt over smaak wel degelijk te twisten, mits je de grenzen kent waarbinnen discussiëren over kunst zinvol is. Soms vergeten we dat de taal slechts een abstractie is van de werkelijkheid. Het woord ‘schoon’ bijvoorbeeld, bestond oorspronkelijk alleen als bijvoeglijk naamwoord, zoals in ‘de schone jonkvrouw’, maar er is ook een zelfstandig naamwoord ‘schoonheid’ van gemaakt. Schoonheid is een leeg abstract begrip, waarover men niets kan zeggen; wel over schoonheid in relatie tot een object. De Romeinse bouwmeester Vitruvius maakte die fout toen hij Schoonheid opstelde als één van de universele principes voor het ontwerpen van bouwwerken. Velen zijn Vitruvius gevolgd en zij hebben hun regels opgeschreven, geen universele regels. De mens zal nooit weet hebben van buitenmenselijke waarheden, zoals een vis er nooit achter zal komen wat water is. Alleen met de taal is het mogelijk om ver af te dwalen van de werkelijkheid. De eeuwenlange zoektochten naar de Schoonheid, de Ideale Verhouding of het Goddelijke, zijn vergeefse zoektochten. Er is niets gevonden, het was enkel spelen met woorden. Twisten over de Schoonheid is zinloos.  

Ideeënleer  

Toch is het mogelijk om door een bepaald object verleid te worden te twisten in algemene begrippen, namelijk als het object dat tentoongesteld is iets anders moet voorstellen dan wat het is. In de conceptuele kunst wordt het idee achter het object van groter belang geacht dan het object zelf. De zak aardappelen in een grote witte zaal van het museum is kunst omdat het geen zak aardappelen is maar… – en vul maar een grootse gedachte in. Degene die slechts een zak aardappelen ziet, kan niet denken op niveau. Die onbedwingbare behoefte om achter al het zichtbare een groots idee te zien, geeft het zichtbare een mysterieuze glans. Priesters, filosofen, dichters en schilders, allen willen in woorden of beelden een poging wagen om iets te laten zien van het wonder dat leven heet. Allen zijn kunstenaars die trachten de ongrijpbare wereld in hun werk te tonen. In tegenstelling tot de conceptuele kunst, want deze toont het wonder niet in zijn werk, maar hoopt op een fantasievolle toeschouwer, die bij een zak aardappelen een wonderlijke gedachte krijgt. Over kunstwerken die niet tonen, valt niet te twisten. 

Twisten is beoordelen 

Het Griekse kritikè betekent schifting. Krinein is schiften, beoordelen en een voorkeur uitspreken. De mens doet niets anders dan beoordelen; het is zelfs één van zijn oerinstincten om te mijden wat niet goed voor hem is. Kritiek is vanouds bedoeld om het kaf van het koren te scheiden. Kritiek kunnen we leveren als er meerdere objecten zijn en we vast moeten stellen welke objecten goed en minder goed zijn. Dit kan slechts in vergelijking met de bestaande kunstwerken die de criticus kent. Die criticus moet duidelijk maken waarom het ene beter is en bekend maken wat zijn criteria zijn. Een wijnkenner heeft bij het drinken van een nieuwe wijn een schat aan vergelijkingsmateriaal, waarmee hij de nieuwe wijn kan plaatsen en goed kan uitleggen welke kwaliteiten de wijn heeft. De persoon die geen verstand heeft van wijnen kan twee dingen zeggen: dat de wijn hem smaakt of niet smaakt. Er zal ook geen goede discussie kunnen plaatsvinden tussen de beide heren door niveauverschil in kennis. Twisten over zaken waarvan er één geen kennis heeft is zinloos. 

Zonder twist geen kunst 

Vaak twist je niet meer, omdat je herinneringen hebt aan de oeverloze, abstracte verhalen over schoonheid of fantastische verhalen over wat de kunstenaar nu ‘echt’ bedoelt met zijn kunstwerk, of aan een monoloog van een kunstkenner waarin je niet kunt inbreken, omdat je de kennis niet bezit om tot een discussie te komen. Om dit soort discussies te vermijden zeg je: over smaak valt niet te twisten. Omdat deze uitspraak zo algemeen geaccepteerd is, kun je een vermoeiend gesprek voorkomen. Bovengenoemde twisten hebben ook geen zin; je moet slechts twisten over kunstwerken die op je overkomen als wonderlijk, betoverend of verschrikkelijk. Vanaf hier kan de analyse zowel rationeel als gevoelsmatig plaatsvinden met vragen als: wat is het nu wat raakt en waarom? Het gaat niet om het bestrijden van ons eerste instinctieve oordeel, maar juist om het intensiveren en bewust laten worden van ons eerste oordeel. Is het eerste instinctieve oordeel uitgekristalliseerd tot een bewust oordeel, dan wordt het mogelijk om helder te communiceren met een ander. Want iemand die niet verder komt dan mooi of lelijk leert niets over zichzelf en niets van een ander. Met ons oordeel kunnen wij anderen wijzen op wat zij niet zagen, maar ook andersom. Als je niet meer twist over smaak, verandert kunst in consumptiegoed: het is lekker of niet lekker. Er is dan geen enkele discussie meer mogelijk. Als kritiek, interpretaties en het twisten over kunstwerken ophoudt, dan houdt de levensvatbaarheid van de kunst zelf op.

Mensen met aversies

Kieskeurigheid is een vervelende eigenschap. Sommige mensen vinden allerlei voedingsmiddelen niet lekker. Ik ken iemand die niet van kaas houdt (vooruit, kan gebeuren), maar daarnaast ook niet van spekjes en zelfs niet van kip, terwijl hij geen vegetariër is. Het is lastig koken voor zo iemand. Je mag nooit kritiek hebben op iemands voedseltaboes, omdat zoveel mensen willen afvallen, koosjer, halal, vegetarisch/veganistisch eten of medische dieetrestricties volgen, maar degenen die zomaar van alles niet lusten vind ik behoorlijk irritant. Kinderachtig, nuffig, slecht opgevoed. Ik verdenk zo iemand van een gesloten wereldbeeld, in ieder geval van een stuitend gebrek aan avontuurlijkheid.

In de liefde moet een mens juist kieskeurig zijn. Het luistert nauw met wie je je leven wil delen, maar wat ben ik blij dat ik nooit een internetdatingprofiel heb hoeven opstellen. Ik word al wanhopig bij de gedachte hoe ik mezelf adequaat zou moeten beschrijven, laat staan aan wat voor criteria een potentiële geliefde zou moeten beantwoorden. Informatie over het karakter blijft onvermijdelijk steken in nietszeggendheden (spontaan, onafhankelijk, gevoel voor humor), dus nemen mensen hun toevlucht tot het vermelden van hun interesses en voorkeursbezigheden. Dit vanuit de vooronderstelling dat wat iemand leuk vindt of graag doet een springplank voor de liefde is.

Het is ontegenzeggelijk handig als mensen in een relatie bepaalde liefhebberijen delen. Als je allebei plezier in zeilen hebt, kun je lekker samen zeilen. Maar tegelijk is zo’n voorkeur of smaak ook volstrekt onbelangrijk. Het feit dat iemand van jazz houdt of de amateurfotografie beoefent zou voor mij geen reden zijn om een oogje op hem te laten vallen of hem juist af te wijzen. Net zo min als ik me kan voorstellen dat iemand zich in mij geïnteresseerd betoont omdat ik weleens tennis of naar het theater ga. Veel mensen afficheren zichzelf aan de hand van kleurloze allemansvoorkeuren (strandwandelingen, goede gesprekken bij het knappend haardvuur, stedentripjes), waar alleen maar onbenulligheid vanaf straalt. Dit zijn dingen die iedereen op z’n tijd wel leuk vindt, al moet je er ook weer niet aan denken om avond in avond uit met je geliefde goede gesprekken bij de open haard te voeren.

Smaken en voorkeuren leggen weinig gewicht in de schaal voor liefde, maar spelen in de vriendschap en bij oppervlakkige contacten wel degelijk een belangrijke rol. Vriendschappen ontstaan op grond van een gemeenschappelijke voorliefde voor een sport, een hobby, bepaalde popmuziek of rondom een politieke overtuiging. Ook de losse gesprekken op feestjes, borrels of buurtbarbecues gaan vaak over dingen waar iemand zich bij betrokken voelt en plezier aan beleeft. Bijvoorbeeld de laatste film van Quentin Tarantino of hoe Ajax ervoor staat of een recept voor tabouleh. Het gespreksonderwerp kan beperkt zijn, maar als iemand een rijkgeschakeerde mening over Tarantino heeft, kun je er donder op zeggen dat hij meer films heeft gezien dan alleen die ene, waarmee het onafzienbare terrein ‘film’ open ligt voor conversatie.

Gesprekken over smaak hebben een horizon verruimende functie. Het cliché wil dat er over smaak niet valt te twisten en dat klopt in zoverre dat een geharnaste discussie tussen een liefhebber en een hater van klassieke muziek even vervelend als zinloos is. Maar een conversatie van een Beethoven-fan met een paar mensen die er geen uitgesproken mening op nahouden kan zeer de moeite waard zijn. Al was het maar doordat je de persoon die enthousiast uitweidt over een of andere voorliefde beter leert kennen. De bedoeling van een conversatie is niet om gelijk te krijgen met je standpunt, maar om dingen te vernemen die nieuw of interessant zijn, waar je je eigen ideeën naast kunt zetten die wellicht voor anderen weer een nieuw gezichtspunt kunnen betekenen. Gesprekken over voorkeuren zijn bij uitstek geschikt om inhoudelijk iets nieuws te ontdekken en om andere mensen beter te leren kennen.

Pontificaal beleden aversies daarentegen werken fnuikend op de lopende conversatie en stralen ongunstig af op degene die ze uitdraagt. Laatst kwam ik in gesprek met een jonge vrouw, een twintiger met een universiteitsdiploma, die zei dat ze graag las, zij het uitsluitend fantasy. Aan literatuur (alle literatuur!) had ze een hekel. Ik moest denken aan de man met zoveel gaten in zijn eet-repertoire. Hoe geborneerd moet je wel niet zijn om het hele gebied van de literatuur achteloos af te wijzen, alsof het om een willekeurig automerk gaat dat je lelijk vindt?

Julian Barnes hield niet van opera, vertelde hij in een interview in de Volkskrant. Maar omdat deze kunstvorm te veel statuur had om zomaar van tafel te vegen, zweeg hij over zijn aversie en ging om de paar jaar naar de opera om te controleren of hij er nog steeds niets aan vond. Tegen z’n zeventigste kwam de omslag. Ineens ervoer hij de zeggingskracht van opera.

Wie er al te uitgesproken aversies op nahoudt ontneemt zichzelf de kans op onverwachte ervaringen.