Celstraffen werken niet

Stelt u zich het volgende scenario eens voor. Uw kinderen gaan naar een zwemschool met een revolutionair nieuw systeem. Aan het eind van de rit blijkt dat zeventig procent van de kinderen het zwemdiploma niet haalt. Zou u uw kinderen nog steeds op dezelfde zwemschool houden?

Ik durf wel te stellen dat maar weinig ouders vertrouwen zullen houden in de effectiviteit van de zwemschool in kwestie. Toch houden wij in Nederland nog altijd volop vertrouwen in de effecten van een gevangenisstraf. En dat is raar. Want zeventig procent van de gedetineerden gaat na een celstraf gewoon weer in de fout.

Natuurlijk. Recidive is een complex probleem met een veelheid aan oorzaken. Maar waarom gaat ‘maar’ vijftig procent dan na een taakstraf in de fout? En waarom ‘maar’ dertig procent na een tbs-behandeling?

Het antwoord op die vraag is in Nederland eigenlijk geen punt van discussie meer. Een gevangenisstraf is nodig. Vergelding moet er zijn. Punt. De slachtoffers hebben daar recht op.

Ik heb dat altijd buitengewoon wonderlijk gevonden. Er is niets mis met empathie voor slachtoffers. Integendeel. Maar waarom voeren we die gevoelens niet door voor de slachtoffers die mede door de celstraf in de toekomst zullen vallen? Want dat is wat onze detentie is. Een broedplaats voor meer ellende. We sturen een onhandelbaar kind weken naar zijn kamer in een nogal machteloze poging om gewenst gedrag te krijgen. Terwijl iedere ouder heel goed weet dat we er niets mee op zullen schieten.

Nog niet zo lang geleden kwam criminologe Simone van der Zee met een vernietigend boek over de celstraf. Na uitvoerige studie kwam ook zij tot het oordeel dat de gevangenis zeer ineffectief en zeer kostbaar is. En bovendien een perfecte kraamkamer voor meer misdaad. Dat wat deskundigen al heel lang weten. Het boek sloeg geen gat in ons idee van een rechtsstaat. En dat is goed bekeken heel erg raar.

Want laten we wel zijn. Er is iets heel geks aan de hand met onze manier van afstraffen. Iedereen met enig verstand van de oorzaken van criminaliteit weet dat stabiliteit de beste garantie is voor gewenst gedrag. Werk, wijf en woning, zoals deskundigen dat altijd noemen. Regel dat en de kans is het grootst dat iemand een min of meer eerzaam leven zal leiden.

Laat een celstraf nou bij uitstek het middel zijn om die stabiele factoren onderuit te halen of onmogelijk te maken. Werk en huis gaan verloren bij een forse celstraf. Een relatie komt onder druk te staan. Je netwerk van vrienden wordt een netwerk van medegedetineerden. Soms is het opsluiten van een kleine boef genoeg om hem in een grote boef te veranderen.

Maar als een celstraf niet werkt, wat dan wel? Het antwoord zou wel eens in de tbs kunnen liggen. De maatregel heeft in Nederland een slechte naam. Ten onrechte. Nederland kent ongeveer 1.700 tbs-gestelden. Samen zijn zij verantwoordelijk voor 70.000 verloven in een jaar. In 2012 noteerden alle tbs-klinieken samen 54 incidenten. Op 70.000 verloven! In verreweg de meeste gevallen ging het om tbs’ers die iets later terug waren. Ze maakten geen slachtoffers en pleegden niet opnieuw delicten. Ze waren gewoon te laat. Belangrijker is dat slechts 30% van de tbs’ers na een behandeling opnieuw ernstig in de fout gaat.

Dat cijfer toont aan dat behandeling (tbs is geen straf, maar een maatregel) werkt. Dat het loont om samen met iemand te kijken naar dat wat beter kan. Soft, zegt u? Integendeel. De gemiddelde gedetineerde is banger voor de witte jas van een hulpverlener dan voor een bewaarder.

Natuurlijk kan niet iedereen tbs krijgen. Het is een zware maatregel, bestemd voor mensen die echt te gevaarlijk zijn voor de maatschappij. Maar de les van tbs is wel dat behandeling en begeleiding goed lijken te werken. Ruim tachtig procent van de gedetineerden in Nederland heeft een gestoord verleden. Er zijn vaak problemen met drank en drugs. Meestal heeft men ergens een verkeerde afslag genomen. Vaak door een groot onvermogen om zelf het hoofd boven het water van de maatschappij te houden.

Wat is er op tegen om deze mensen niet langer als gevangenen te beschouwen, maar als patiënten?

Mijn voorstel is om niet langer te denken in kale detentie. Breek de gevangenissen af en bouw instellingen waar mensen kunnen worden geholpen. Natuurlijk kan dat in een gesloten setting, als de misdaad te groot is om onbestraft te laten, maar start wel meteen met de wederopbouw van mensen die zonder begeleiding en behandeling op zeker weer in de fout zullen gaan.

Van mij mag u dat best soft noemen. Geen probleem.

Ik noem het vooral slim.

Was vroeger alles beter?

Zodra een gesprek bij het onderwerp geweldscriminaliteit aanbelandt, krijg ik te horen dat vroeger alles beter was. “Vroeger werd er eerlijk gevochten”, of “tegenwoordig word je om één verkeerd woord al neergestoken”. Ik kan echter moeilijk geloven dat de maatschappij in enkele decennia zodanig veranderd is, dat het vroeger echt veiliger was dan nu. Waarom denken mensen dat het vroeger allemaal beter was? Wordt het verleden geïdealiseerd door de vorige generatie of ben ik daadwerkelijk opgegroeid in een onveiligere samenleving dan mijn ouders?

Je zou denken dat je eerdere criminaliteitscijfers kan vergelijken met die van nu om te kunnen concluderen of het vroeger veiliger was. Helaas is het niet zo gemakkelijk. Cijfers die voor de hand liggen, zijn bijvoorbeeld politiecijfers. Het nadeel van deze cijfers is echter dat we te maken hebben met dark numbers (Bruinsma, 1991): niet alle misdrijven worden geregistreerd in Nederland. Dit ligt onder andere aan de aangiftebereidheid van slachtoffers. Een slachtoffer van huiselijk geweld zal bijvoorbeeld minder snel aangifte doen dan het slachtoffer van een inbraak. Geregistreerde misdrijven zijn daarnaast ook afhankelijk van de opsporingstrend van dat moment. Wanneer politiek Nederland zich druk maakt over een bepaald thema in de criminaliteit, zullen politie en justitie zich meer focussen op dergelijke zaken (Van Gestel, 2002).  Ook andere bronnen die misdaad en slachtofferschap registreren hebben te maken hebben met dark numbers en dus een vertekend beeld van de werkelijkheid weergeven.

Mensen die beweren dat vroeger alles beter was, baseren zich echter niet op criminaliteitscijfers, maar op hun gevoel. Ze denken dat het allemaal beter was tijdens hun jeugd, maar zeker weten doen ze het niet. De vraag die hier dus eigenlijk centraal staat is: hoe kan het dat men ervaart dat vroeger alles beter was?

De media is een grote oorzaak van deze onveiligheidsgevoelens: onze mening wordt gebaseerd op wat wij zien, horen, lezen, leren en ervaren. Waar vroeger dorpsroddels het vermaak van de dag waren, zijn dat tegenwoordig de informatieprikkels van over de gehele wereld die ons vermaken. We kunnen het nieuws elk moment van de dag overal opvragen en zijn niet meer afhankelijk van het NOS-journaal of de krant. Bovendien kunnen we het nieuws niet alleen nalezen op bijvoorbeeld onze smartphone, maar vaak is hiervan ook beeldmateriaal beschikbaar. We krijgen constante informatieprikkels over gruwelijkheden in de wereld. De media geeft verschillende beelden weer, maar is niet altijd objectief. Het is een kwestie van vraag en aanbod: het publiek wil sensatie, dus laat de media vooral sensatie zien. Zo zijn extreme vormen van geweld uitzonderlijk, maar zij worden buitenproportioneel vaak beschreven in de media (Wittebrood & Junger, 1999), wat een onrealistisch beeld van de werkelijke criminaliteit weergeeft. De vele verschrikkelijke verhalen die wij zien en horen in de media zorgen voor angst voor criminaliteit. Deze informatieprikkels hebben een intimiderende werking op ons. De verhalen in de media benadrukken tegenwoordig vooral het leed van het slachtoffer, waardoor men zich daarmee identificeert (Wittebrood & Junger, 1999), wat leidt tot nog meer onveiligheidsgevoelens.

Het beeld dat de media schetst wordt niet alleen gebaseerd op de publieke vraag, maar ook op basis van de politiek. De grote mediabronnen laten zich beïnvloeden door actuele maatschappelijke kwesties die ofwel zijn geïnspireerd op politieke vraagstukken, ofwel juist door de politiek worden overgenomen (Althoff, 2002). De criminaliteitsproblemen van onze maatschappij zijn geen hedendaags probleem, maar een kwestie die al sinds jaar en dag wordt aangesneden in politieke debatten. Zo waren we in de jaren zestig bang voor psychopaten die erop los zouden moordden en werd het politiek debat in de jaren zeventig gedomineerd door het vermeende geweld van de jeugd (Brizée, 1985). We kunnen dus wel stellen dat ook toen al onveiligheidsgevoelens heerstten onder de Nederlandse bevolking.

Laten we terugkeren naar de eerste vraag van het stuk: was vroeger alles beter? Hier is geen antwoord op te geven, want het is de perceptie van het individu zelf wat ervoor zorgt dat men zich veilig of onveilig voelt. Deze gevoelens worden gevoed door de vele mediabronnen, maar uiteindelijk zijn wij slechts op de hoogte van een fractie van alle criminaliteit die daadwerkelijk plaatsvindt in Nederland. We kunnen ons daarom niet volledig baseren op politiecijfers en concluderen dat er een stijging of daling van criminaliteit is. Het enige wat we kunnen concluderen is dat geweldscriminaliteit bestaat en dat het een probleem van elke tijd is.

Helaas.