Straffen op school

De gang van zaken op scholen wordt vaak gezien als een afspiegeling van de samenleving. Een samenleving in het klein, een mini-maatschappij. Voor een deel klopt dit, behoort dit te kloppen, want op school worden kinderen immers voorbereid voor de “echte” maatschappij, waarin zij op een dag zullen worden losgelaten. De wijze waarop scholen omgaan met het straffen van leerlingen kan daarom nuttige informatie opleveren voor de kijk op het strafrecht in die “echte” maatschappij.

Binnen scholengemeenschappen in Nederland doen zich elke dag talloze incidenten in alle soorten en maten voor. Er wordt gepest, gescholden en gestolen, er is sprake van intimidatie en discriminatie en er doen zich zeden- en geweldsdelicten voor. Hier tussenin zit nog een scala aan andere mogelijkheden die schoolautoriteiten, in alle geledingen, ertoe nopen om sommige leerlingen te bestraffen en andere leerlingen in bescherming te nemen.

Het simpelweg bestraffen van een leerling leidt er soms toe dat deze gas terugneemt, maar vaak heeft het geen effect op langere termijn. Eerder zal de betreffende leerling de hakken in het zand zetten, uiteindelijk zijn straf noodgedwongen accepteren en in de toekomst slimmer opereren, zodat hij een volgende keer niet gesnapt wordt. Dit betekent niet dat straffen geen nut heeft. Integendeel, het slachtoffer heeft er baat bij in zijn rechtvaardigheidsgevoel gesterkt te worden, en het gevoel te hebben serieus genomen te worden. Daarnaast hebben straffen een afschrikwekkend effect ten opzichte van potentiële toekomstige daders zijn. Bovendien appelleert het aan het rechtvaardigheidsgevoel van de groep als geheel.

Toch zou men willen dat daders hun leven beteren. Een reflex binnen scholengemeenschappen kan zijn om zwaarder te gaan straffen. De ervaring leert echter dat dit weliswaar tegemoet komt aan het rechtvaardigheidsgevoel van slachtoffers, maar geen enkele garantie biedt voor escalaties in de toekomst. Veel daderleerlingen leven namelijk in het moment en kunnen eventuele gevolgen niet overzien, ook niet als het verleden heeft geleerd dat er consequenties aan hun gedrag worden opgehangen. Bovendien blijkt dat er ten opzichte van de groep als geheel een kantelmoment ontstaat: rechtvaardigheid staat blijkbaar gelijk aan straffen, maar dat is het dan en er volgt geen verbetering in de situatie op langere termijn, want incidenten blijven zich onverminderd voordoen. Het gros van de leerlingen wordt vervolgens onverschillig ten opzichte van het gezag en op deze manier kan de sfeer binnen een school behoorlijk verziekt raken.

Scholengemeenschappen kunnen er ook voor kiezen het tegenovergestelde pad te bewandelen, dat van het telkens maar weer uitpraten van conflicten. Binnen sommige scholengemeenschappen wordt in dat kader zelfs aan peer mediation gedaan: een aantal leerlingen krijgt een cursus, waarin hen geleerd wordt om (kleinere) conflicten tussen medeleerlingen uit de wereld te helpen. In gesprek blijven is goed, maar alles pratend willen oplossen kan ertoe leiden dat een slachtoffer zich tekort gedaan voelt en dat een dader het idee krijgt er elke keer weer makkelijk van af te komen. Dit kan overslaan naar de groep als geheel, zodat een situatie ontstaat waarbij een relatief groot aantal leerlingen zich schuldig gaat maken aan dadergedrag, omdat ze gevoelsmatig geen (ernstige) consequenties ervaren.

Welke weg dan te bewandelen om een minimum aan incidenten te bewerkstelligen? Het antwoord daarop is wellicht weinig opzienbarend en wordt binnen de meeste scholengemeenschappen in de praktijk gebracht. Het is namelijk zeer wel mogelijk een situatie creëren waarbij aan de ene kant een zekere tucht heerst, die aan het rechtvaardigheidsgevoel van slachtoffer en groep appelleert, maar die er aan de andere kant ook voor zorgt dat de dader onderdeel blijft van het geheel en dat de sfeer in het algemeen als prettig ervaren wordt. In deze situatie gaan straf en gesprek hand in hand, omdat men beseft dat het een en en, en niet een of of verhaal is. Men dient daarbij niet uit het oog te verliezen dat oplossingen altijd relatief en niet absoluut blijken. Je kunt namelijk niet altijd iedereen honderd procent tevreden stellen en er bestaat geen allesomvattende oplossende methode, anders zouden incidenten zich ook niet blijven voordoen.

Welke les kan uit bovenstaande getrokken worden met betrekking tot de kijk op het strafrecht in de “echte” maatschappij? De politiek en sommige media willen ons doen geloven dat er een keuze moet worden gemaakt tussen de harde en de zachte hand. Maar is het niet raar dat leerlingen wordt voorgehouden dat de harde en zachte hand gecombineerd kunnen worden, terwijl hen dat als volwassenen wordt afgeleerd? Hierboven wordt betoogd dat die scheiding juist leidt tot ofwel een onverschillige, ofwel een lankmoedige maatschappij en dat juist de combinatie ervan tegemoet komt aan zowel daders als slachtoffers. En ja, aangezien oplossingen altijd relatief en niet absoluut zijn, bestaan er uitzonderingen. Zoals in de mini-maatschappij in zeer ernstige gevallen kan worden besloten tot verwijdering van een dader van school, kan in de “echte” maatschappij uiteindelijk worden besloten om een dader levenslang af te zonderen.

Geplaatst in Straf

Over David van der Landen

David van der Landen studeerde in 2003 als docent af aan de Faculteit Geschiedenis van de Hogeschool van Utrecht. Sindsdien geeft hij les aan VMBO klassen op scholengemeenschap De Goudse waarden te Gouda. In 2012 studeerde hij af aan de Universiteit van Utrecht, alwaar hij de Deeltijdmaster Geschiedenis volgde. Zijn afstudeerscriptie handelde over de utopische tendensen in het werk van de Egyptische filosoof Hassan Hanafi. Momenteel volgt hij de Eerstegraads Master Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.