Straatschreeuwers

Soms draagt hij een piratenhoed en heeft hij een zonnebril op. Zijn baard groeit maandenlang. Hij belt aan voor een kop koffie en vraagt naar mijn vriend. Als hij aan de tafel zit, houdt hij zijn drie jassen aan. In zijn zakken graaft hij naar flesjes frisdrank. Hij heeft altijd zoete flesjes frisdrank bij zich. De meeste mensen die hem kennen, weten dat zijn stemming op en neer gaat en dat dit al heel lang zo is. Hij kent heel veel mensen in de stad. Het liefst is hij overal bij elk feestje aanwezig. Soms gaat dat niet en ligt hij een paar weken in het ziekenhuis voor zijn longen of iets anders. Na een paar dagen krijgt hij een kamer voor zichzelf en vraagt zich niet af waarom. Hij roept naar mijn vriend dat hij een klootzak is en daarna vraagt hij hem om de volgende keer stripboeken mee te nemen. Daarna roept hij hard de namen van wie nog meer klootzakken zijn, dat er niemand naar hem luistert, dat iedereen maar moet opzouten.

Opeens zie ik hem weer op straat of op een feestje. Hij zegt dat hij de dag ervoor uit het ziekenhuis is ontslagen. Hij vraagt wanneer mijn vriend weer langskomt. Op Facebook zie ik een berichtje voorbij komen met de vraag of er iemand is die bij hem langs wil komen nu hij thuis is. Zijn Facebook-vrienden wensen hem allemaal beterschap en zijn blij voor hem dat hij weer uit het ziekenhuis is. Sommigen willen binnenkort koffie komen drinken, anderen nemen afstand. Wie helpt wordt door hem afgezeken en voor een deel is dat voorstelbaar, omdat ik me niet kan voorstellen hoe vermoeiend het is om de hele dag chaotische gedachten te hebben en ook nog eens een ziek lichaam. Hij kan zich alleen afreageren op de mensen die in zijn buurt komen. Soms schreeuwt hij naar een onbekende op straat die toevallig met de hond voor zijn huis loopt als hij op de taxi wacht: ‘Wat kijk je, kankertrut!’ Een andere keer vertelt hij mooie verhalen over de muziek of over Friesland en pakt hij een flesje frisdrank uit zijn jaszak. Achter hem staat zijn trompet, die hem dierbaar is. Zijn huis is volgestouwd met spullen en een smal paadje leidt naar zijn bed.

Van hem weet ik iets meer achtergronden, maar iedereen passeert weleens iemand die naar de hele wereld lijkt te schreeuwen. De man die in het midden van de winkelstraat loopt met zijn piekhaar. Hij strompelt een beetje en kijkt om zich heen tot hij er klaar mee is. Hij stoot een kreet uit, maar niemand reageert. Sommigen kijken vanuit hun ooghoek naar hem en lopen snel voorbij. Hij roept: ‘stelletje rukkers!’ en lacht naar de lucht. Hij blijft staan middenin de winkelstraat en ziet de mensen met een boog om hem heen gaan. Dat doen ze automatisch lijkt het. Ze zien de man in de verte staan en hebben tijd genoeg om hem te negeren, langs hem heen te kijken. Ze willen voorkomen dat ze iets met de man moeten als hij hen aanspreekt. Ze willen niet reageren, alleen maar op leuke dingen willen ze reageren. Ze kijken in de etalages of op hun telefoon naar gemiste berichten. Wat moeten ze met de man? Ze kennen hem niet.

Geplaatst in Zelfkant

Over Fieke Gosselaar

Fieke Gosselaar werkt als secretaris strafrecht bij de Rechtbank Noord Nederland. In augustus 2014 verscheen de verhalenbundel Tussen de anderen met verhalen geschreven vanuit het perspectief van de verdachte. Daarnaast schrijft ze Groningstalige poezie en leest ze wekelijks een radiocolumn voor op RTV Noord.