Richtingloosheid

Iedereen staat voor de keuze om te denken en leven vanuit de overtuiging in een situatie van schaarste of tekort beland te zijn; of vanuit de tegenovergestelde houding, van overvloed. Sommigen beweren dat het leven met tekort eigenlijk aantrekkelijker is. Want het tekort geeft de nodige richting en scherpte aan ons handelen omdat het zich concentreert op een duidelijk identificeerbaar voorwerp dat haar moet opheffen: dít stuk brood, de liefde van díe vrouw, het bereiken van díe salarisverhoging. Het door overvloed geïnspireerde handelen kent zo’n voorwerp niet (want overvloed is nu juist per definitie overvloed aan alles) en raakt daarom verdwaald in richtingloosheid. De radeloze mensen die zoveel spullen in hun huis hebben staan dat zij de hulp van een televisieprogramma nodig hebben om het overbodige van het behoudenswaardige te scheiden, zijn symptoom voor de onbepaaldheid die in overvloed dreigt. De overvloed uit zich daarom soms in eerste instantie als een onbestemd verlangen, dat we gemakkelijk met verveling associëren. Dat verlangen voor een tekort te houden, zou echter een misverstand zijn: het is juist het zoeken naar een besteding van de overvloed. De oorspronkelijke onbestemdheid is daarbij juist haar kracht: dat garandeert dat het handelen authentiek is, van binnenuit komt en naar buiten is gericht. Dat blijkt vooral bij het scheppen. Precies omdat de scheppende en gevende energie van de ondernemer, kunstenaar, wetenschapper en uitvinder onbepaald is, dus alle kanten op kan, is het wonder dat er dít kunstwerk of dát product uit is geboren. Zonder die oorspronkelijke onbepaaldheid zou die schepping niet zoveel toegevoegde waarde opleveren. In de overvloed moeten we over de onbepaaldheid heen onze eigen bepaling vinden; dat is een onlosmakelijk deel van de opgave. De overmeestering van die onbepaaldheid is voorwaarde én bron van welbehagen.

Overvloed en tekort verschijnen zo als twee mogelijke vormgevingen van ons handelen, concurrenten van elkaar. De ethiek stelt een transformatie van ons handelen voor, die ons in plaats van tekort overvloed doet ervaren en dan is alles in orde – onze vlucht voor de welvaart verandert in een vruchtbaar omgaan met die welvaart. Dit beeld is echter schijn. Overvloed en tekort zijn niet alleen maar alternatieve houdingen, maar minstens zozeer partners in business, die samen een wilde dans des levens opvoeren. In het menselijk samenleven leeft overvloed namelijk van het tekort, en andersom. Want de goederen van de ondernemer, de uitvindingen van de uitvinder, de kunstwerken van de kunstenaar moeten een brandend verlangen oproepen bij hen wier pad zij kruisen. De productie zoekt zijn consumptie, en dus blijft het tekort in stand. Datzelfde geldt ook voor de weggevende, filantropische mens. Ook zijn inspanningen wakkeren elders weer het tekort aan (denk aan de groeiende verlangens bij de mensen die in arme landen de glamour van de etalages in het westen op door datzelfde westen geschonken televisies zien). Alleen de zondagse asceet ontsnapt aan het scheppen van tekorten bij anderen, maar dat is dan ook op grond van een levenshouding die normaal gesproken alleen de zondagen van ons leven beheerst, d.w.z. omdat hij niet handelt. Geen illusies dus over de opheffing van het tekort, van een massaal leren leven in de overvloed. De ethiek voor goede tijden loopt juist uit op de grootste tekort-operatie aller tijden. Zij die het tekort overwinnen scheppen het voor anderen; de ironie van de overvloed ten top. We staan voor een onmogelijk dilemma.

Is het mogelijk overvloed en tekort uit hun dans los te rukken en de overvloed te laten zegevieren? Kan er een schepping zijn zonder verslinding, een productie zonder consumptie? Slechts één mogelijkheid dient zich daarvoor aan: een productie die haar eigen consumptie is, een schepping die zichzelf verslindt. Dat betekent: projecten die geen product achterlaten, handelen zonder tastbaar resultaat. Precies deze handelingen die op zichzelf zinvol zijn en waarin het doel in de handeling zelf besloten ligt, beschouwt Aristoteles als het hoogste goed. De dans en het musiceren, de filosofische overweging. Maar ook: de wandeling, het gesprek, de zorg voor een naaste, het bedrijven van de liefde. En zo loopt het vraagstuk van tekort en overvloed uit op een wijsheid van eerbiedwaardige leeftijd, die we slechts kunnen veinzen te zijn vergeten: de werkelijke overvloed is geen ruilbeurs waarop overvloedskunstenaars hun producten aanbieden aan verlangende consumenten, maar een ervaring, intiem of gedeeld met anderen, van leven – niets dan het vieren van leven, het ons uitleven. Hierin scheppen we geen welvaart, en is welbehagen tóch (of juíst) ons deel. Het is een consumeren van het leven dat aan ons gegeven is, maar een consumptie die energie geeft in plaats van een brandende leegte achter te laten. Tegelijk is het een scheppen, maar zonder een schepping achter te laten die het tekort oproept. Misschien is het daarom wel een mysterie, waarvan de ervaring dicht raakt aan het goddelijke van het niet-handelen van de asceet.

Bovenstaande tekst van Rutger Claassen is een passage uit een langer artikel genaamd ‘Scheppen zonder te verslinden. Handleiding voor een leven in overvloed’, dat eerder verscheen in Filosofie Magazine, jaargang 14, nummer 3, april 2005, p. 14-17. Deze passage is op enige punten aangepast om het geschikt te maken als zelfstandig artikel.

Geplaatst in Schaarste

Over Rutger Claassen

Rutger Claassen werkt als universitair hoofddocent ethiek en politieke filosofie aan het Departement Wijsbegeerte van de Universiteit Utrecht. Hij studeerde eerder rechten en filosofie en promoveerde in 2008 op een dissertatie over de morele grenzen aan de markt. Een speciale interesse heeft hij voor vraagstukken over het grensvlak van ethiek en economie. In het boek Het eeuwig tekort (2004) onderzocht hij de voortdurende ervaring van schaarste in rijke economieën.