Op school houden we kinderen gevangen in ons verleden

Mijn oudste kind Marc is in 1977 geboren, mijn jongste, Daphne, in 2009. Daardoor besef ik goed hoe groot het verschil is tussen de wereld thuis waarin Daphne opgroeit en die waarin Marc opgroeide. Maar toen Daphne voor het eerst naar school ging, viel me op hoe weinig het daar verschilde in vergelijking met dertig jaar geleden.

Sindsdien ben ik actief bezig geweest met een ingrijpend onderwijsvernieuwingsproces, dat o.a. geleid heeft tot de Steve JobsSchool, die door het Amerikaanse Tech Insider gezien wordt als een van de dertien meest innovatieve scholen ter wereld. We krijgen veel bezoekers uit de hele wereld en ervaren hoe ook daar de problematiek hetzelfde is: de grootste revolutie op het terrein van informatie, kennis en vaardigheden uit de geschiedenis heeft plaatsgevonden, maar lijkt vrijwel volledig te zijn voorbij gegaan aan scholen.

Als ik me daarover in het openbaar uit, valt me op hoe vaak elke wens tot vernieuwing wordt afgewezen en de wijze waarop men zelf onderwijs heeft genoten in het verleden wordt verheerlijkt. Als ik met mede-ouders spreek, valt me op hoe weinig men echt nadenkt over de relevantie van wat hun kinderen op school moeten doen.

Bij die discussies over vernieuwing in het onderwijs worden echter twee zaken over het hoofd gezien. Per jaar gaan kinderen ongeveer duizend uur naar school en onderwijs moet leerlingen voorbereiden op het leven in 2025 en later.

De beperking van 1000 schooluren per jaar dwingt ons keuzes te maken in het onderwijsaanbod; je kunt een uur maar één keer besteden. Ik hoor veel voorstellen over wat er allemaal op scholen nog meer gedaan moet worden. Maar zelden hoor ik wat er kan vervallen. Als we niets uit het lesaanbod schrappen, ontstaat geen ruimte voor iets nieuws.

Toen de informatierevolutie (internet, google, smartphones) nog niet had plaatsgevonden, was het als volwassene veel moeilijker om relevante informatie te vinden en veel minder gebruikelijk om nieuwe vaardigheden op te doen. Wat je op school leerde was ‘just in case’: we leren het je nu, wie weet heb je het ooit nodig. Veel van wat je leerde was in de rest van je leven nooit meer relevant.

Door de informatierevolutie is het onzinnig om ‘just in case’ te leren. We moeten kinderen van nu de vaardigheden leren die ze nodig hebben om problemen die ze tegenkomen op te lossen, vaak met behulp van digitale bronnen. Kennis over internetsites vinden, beoordelen en toepassen (‘find, filter and apply’) en samenwerken met mensen uit hun sociale netwerk, online en offline, is van het grootste belang. We moeten veel ruimte geven voor bijvoorbeeld creativiteit, kritisch denken, leren leren en burgerschap.

Ik bepleit absoluut niet dat kennis overbodig is en dat kinderen alles voortaan maar moeten opzoeken. Natuurlijk is een gemeenschappelijke basiskennis relevant. De vraag is echter wel over wélke kennis of vaardigheden je nu zou moeten beschikken. Mijn punt is: andere kennis en vaardigheden dan vroeger. Enerzijds omdat een deel van die kennis en vaardigheden niet meer van belang is anno 2016. Anderzijds omdat het nu veel makkelijker is om na je schooltijd nog nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Het gaat minder om de kennis die je hebt, het gaat meer om wat je met informatie kunt doen.

Door delen van het curriculum te schrappen, creëren we ruimte om leerlingen vooral met relevante projecten aan het werk te zetten, waarin ze, bij voorkeur met elkaar, creatieve oplossingen proberen te vinden voor de uitdagingen waar ze zich voor gesteld zien. Ze werken vanuit hun intrinsieke motivatie, doen daarbij voor hen relevante kennis en vaardigheden op, en leren niet vooral vanuit een plicht die ze vanuit de overheid via de leerkrachten wordt opgelegd.

Dat kan natuurlijk niet zonder een bepaalde basiskennis en bepaalde vaardigheden. Maar tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat er stevig gewied moet worden in ons oude curriculum.

Waarom besteden we op school nog veel tijd aan mooi met schrijfletters schrijven en niet om met tien vingers blind te leren typen? Waarom leren we nog staartdelingen en geen Excel? Waarom leren we nog steeds Grieks en Latijn op het Gymnasium en niet wat ondernemen is, of programmeren?

Ik kan de antwoorden op deze vragen inmiddels dromen. Vaker niet dan wel zijn dit drogredenen om maar niet te hoeven veranderen. Je kunt er het klassieke generatieconflict in herkennen: de oudere generatie die zich niet kan of wil inleven in het nieuwe leven van de jonge generatie. Maar bedenk wel: zolang we op scholen het oude blijven doen is er geen of weinig ruimte voor het nieuwe. Dan zullen kinderen zich vooral buiten school met de nieuwe wereld gaan bezighouden, zich steeds luider afvragend wat ze op school nog doen. Zo houden we de kinderen op school, onder de valse belofte dat ze op hun toekomst worden voorbereid, feitelijk gevangen in ons verleden.