Ongegronde doemdenkerij

In de laatste eeuwen is het begrip decadentie de westerse denkwereld binnengeslopen. Oorspronkelijk bedoeld als term die het verval van het Romeinse Rijk probeerde te verklaren, groeide het met name in de negentiende eeuw uit tot een algemeen, maar bovenal diffuus begrip en wordt het tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt om veronderstelde misstanden in de westerse wereld aan te duiden.

Hoewel het woord decadentie, afgeleid van het Latijnse ‘de-cadere,’ dat zoiets als neer-val betekent, een langere geschiedenis kent, doet het zijn intrede in de vroegmoderne tijd onder invloed van een breder historisch besef. In 1734 komt het woord letterlijk naar voren in de titel van De Montesquieu’s Considérations sur les causes de la grandeur des Romains et de leur décadence, waarin hij de Romeinse periode met een dialectische ondertoon tegemoet treedt: hij stelt de grootsheid van het Romeinse Rijk tegenover het verval ervan.

In dezelfde eeuw, tussen 1776-1788, gaf Edward Gibbon zijn zesdelige The History of the Decline and Fall of the Roman Empire uit, waarin hij de neergang en uiteindelijke val van het Romeinse Rijk beschrijft. Hij weet deze val aan een toenemende decadente levensstijl van de Romeinse elite. Alhoewel zijn conclusies inmiddels achterhaald zijn, is het van belang te onderkennen dat Gibbon er blijk van gaf het vermogen te hebben om historische gebeurtenissen in historisch perspectief te plaatsen. Met andere woorden: hij paste het begrip decadentie toe op het verleden met de kennis die hij achteraf over de betreffende periode had.

In het laatste kwart van de negentiende eeuw nam de invloed van de term decadentie een grote vlucht. Het werd ten eerste gebruikt door met name Franse en Britse intellectuele cultuurpessimisten, die het in hun ogen onomkeerbare verval van de samenleving in de eigen tijd ontwaarde. Met het voorbeeld van het Romeinse Rijk in het achterhoofd, dat uitgaat van een cyclisch tijdsbeeld waarin een beschaving opkomt, zijn macht bestendigd en uiteindelijk ten onder gaat aan zijn eigen grootsheid, dachten zij dat het spoedig gedaan zou zijn met de westerse samenleving. Dit baseerden zij met name op de naar hun mening geestelijke en materiele verloedering in de – onder invloed van de Industriële Revolutie – snelgroeiende steden.

Onder invloed van de cultuurpessimisten ontstond een groep mensen die zich afkeerde van de maatschappij, onderwijl hun heil zoekende in (pseudo)mystieke bewegingen, die vaak een utopische ondertoon kenden. Een derde groepering stortte zich juist op die maatschappij. Zij geloofden niet in de onomkeerbaarheid van het decadente proces en ondernamen actie om de samenleving te verbeteren, bijvoorbeeld door politieke partijen op te richten. Het laatste te onderscheiden gezelschap werd gevormd door kunstenaars en schrijvers, die zich in hun werk lieten inspireren door de veronderstelde schoonheid van de decadentie. Zij isoleerden zich ten dele van de burgermaatschappij, waarin alles in het teken van geld stond. Deze artistieke stroming staat bekend als het decadentisme en kenmerkte zich door het principe ‘l’art pour l’art.’

Het verschil met de achttiende eeuw was derhalve dat decadentie in de negentiende eeuw niet langer op het verleden maar op de eigen tijd werd geprojecteerd. Dit duidt erop dat het begrip decadentie een gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Een proces dat zich heeft voortgezet in de twintigste eeuw en ertoe heeft geleid dat het heden ten dage op allerlei veronderstelde misstanden in de westerse samenleving wordt geprojecteerd. De hang naar luxe, individualisering, uitholling van de democratie, verminderd ethisch bewustzijn, etcetera: het wordt allemaal gemakkelijk opgehangen aan de term decadentie. Hierin schuilt een gevaar.

Toen het begrip decadentie op het verleden werd gericht kon het betrekkelijk weinig kwaad. Op de conclusies van bijvoorbeeld De Montesquieu en Gibbon viel het nodige af te dingen, maar dat had geen directe gevolgen voor de toenmalige samenleving. Nu decadentie op negatieve wijze in verband wordt gebracht met de veronderstelde ondergang van de huidige westerse maatschappij ligt dat anders.

Voor tijdgenoten is ten enenmale niet met zekerheid vast te stellen dat een maatschappij decadent is en derhalve op het punt staat ten onder te gaan. Slechts achteraf kan worden vastgesteld dat een bepaalde samenleving heeft opgehouden te bestaan en eventueel kunnen daarvoor oorzaken van decadente aard worden aangedragen. Het gebruik van de term decadentie zet echter wel aan tot doemdenken, wat uiteraard nimmer een vruchtbare bodem is om rationeel naar de huidige stand van zaken van een samenleving te kijken. Daarmee ontstaat het gevaar dat het gebruik ervan zal leiden tot een ‘self-fulfilling prophecy.’

De conclusie kan daarom niet anders zijn dat de term decadentie met zijn negatieve connotatie niet geschikt is om op de huidige tijd te projecteren. Het is hooguit te gebruiken om de neergang van een samenleving in de verleden tijd te beschouwen, waarbij men bovendien niet raar moet opkijken als zaken in werkelijkheid oneindig veel complexer blijken te zijn geweest dan met het begrip decadentie valt aan te duiden.

Geplaatst in Decadentie

Over David van der Landen

David van der Landen studeerde in 2003 als docent af aan de Faculteit Geschiedenis van de Hogeschool van Utrecht. Sindsdien geeft hij les aan VMBO klassen op scholengemeenschap De Goudse waarden te Gouda. In 2012 studeerde hij af aan de Universiteit van Utrecht, alwaar hij de Deeltijdmaster Geschiedenis volgde. Zijn afstudeerscriptie handelde over de utopische tendensen in het werk van de Egyptische filosoof Hassan Hanafi. Momenteel volgt hij de Eerstegraads Master Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.