Niet God, maar een dominee bracht mij terug op aarde

Bij traditionele gebedshuizen denkt men doorgaans aan kerken, tempels en moskeeën. Maar tegenwoordig kan het begrip ook breder worden opgevat. Het valt best hard te maken dat een voetbalstadion of motorclubhonk ook religies huisvesten. Ga maar na: een seizoenkaarthouder van Feyenoord betaalt ieder jaar een fors bedrag om wedstrijden te mogen bezoeken. Daarnaast geeft  hij (of zij, natuurlijk) nog flink wat uit aan merchandise en het nareizen van zijn club als er bijvoorbeeld een Europa Cup-wedstrijd wordt gespeeld. Eenmaal in het stadion vormt diegene een hechte gemeenschap met gelijkgestemden. Na de wedstrijd gaat onze supporter nog even een pilsje drinken in het nabij gelegen supportershonk- of café, waarbij liederen worden gezongen ter verbroedering. Dat die liederen vaak oorlogsverklaringen zijn aan andere clubs draagt enkel bij aan de saamhorigheid.

In het dagelijks leven draagt hij zijn clubliefde hartsotochtelijk uit, wat in het geval van  fanatieke fans erg ver kan gaan. Zo zijn er bepaalde gedragsregels. Je komt liefst niet in de stad van de concurrent en gaat niet om met mensen die die club steunen. Men koopt bij winkels waarvan bekend is dat de eigenaar naar dezelfde club gaat. Men bezoekt in de pauze op het werk Feyenoord-fora op internet en slaapt ‘s avonds onder een Feyenoord-dekbed naast een wekker van de club. Mocht de supporter op weg naar huis onverhoopt een ongeluk krijgen, kan hij na overlijden zelfs komen te rusten in een heus “Feyenoord-vak” op een begraafplaats in de omgeving van Rotterdam.

De inhoudelijke overtuigingen zijn uiteraard zeer verschillend van die een praktiserend christen of moslim, maar de sociologische kenmerken niet. Een zeer dwingend conformeren aan de groep op straffe van uitsluiting, het afwijzen van andersdenkenden en erg hechten aan bepaalde rituelen en gedragingen omdat dat zo past binnen de eigen traditie zijn ook bij een voetbalcub als Feyenoord sterk aanwezig.

Voordat ik in andere gemeenschappen duik, lijkt het goed om bij mezelf te beginnen. Ik maakte namelijk zelf ooit deel uit van een geloofsgemeenschap. Nadat ik als baby werd gedoopt maakte ik deel uit van de  Nederlands-Hervormde gemeente West in Woerden, een provinciestad  midden in de Nederlandse bible-belt.

Mijn doop schepte verplichtingen nog voordat ik wist wat dat waren; als mens word je immers in zonde geboren, luidt één van de christelijke dogma’s. Of beter gezegd; in erfzonde. We zijn allemaal nazaten van Adam en Eva, is mij geleerd. Zij waren de veroorzakers van de zondeval. Dit uitgangspunt zorgt er in de christelijke praktijk voor dat wat we ook doen, we de schuld naar God nooit kunnen inlossen. Want hoe groot moet de liefde van een god zijn voor de mensheid, dat hij zijn enige zoon opoffert om onze arme zielen te redden? Als klein jongetje kon ik niet anders dan Hem deemoedig gehoorzamen. Ik wilde trouwens ook niet anders want iedereen om me heen deed het; een belangrijke katalysator van groepsgedrag. Bovendien is niets menselijks een jonge gelovige vreemd.

Naast de godsdienstige component doet een geloofsgemeenschap meer dan een god vereren. Binnen een selecte kring gelijkgestemden vind je ook ordinaire gezelligheid. Tegelijkertijd vormt  de kerk een sociaal vangnet. Die rol is nog altijd in meer of mindere mate onveranderd. Mijn oma van vaders kant moest als jonge weduwe bij de kerk aan kloppen voor hulp – voedselbanken waren er voor de oorlog nog niet. Later zag ik mijn vader zich inzetten voor bejaarden en werd er voortdurend gecollecteerd voor de armen elders op de wereld.

Tegelijkertijd werd Nederland rijker. De wederopbouw was voltooid, het kon niet op in mijn jeugd. Hoe kon ik tegen een god zijn die dit allemaal mogelijk maakte?

Het antwoord: het was niet God, maar een dominee die mij terug op aarde bracht. Tijdens een catechisatieles weigerde onze dominee uit te leggen wat er vóór de schepping was. Alles daarover staat in de bijbel, was zijn verklaring, maar daar vond ik geen antwoorden op mijn prangende tienervragen. Vraag het dan aan God, was zijn tweede suggestie. Ik bad uren lang maar er gebeurde niets. Ik was een jaar of twaalf, viel binnen een mum van tijd keihard van mijn geloof en voelde me verraden.