Misschien moeten we criminaliteit niet willen voorkomen

Bij de Amsterdamse politie en gemeente ligt een lijst met de namen van zeshonderd jongeren. Ze zijn recentelijk veroordeeld voor inbraken, overvallen of straatroven in Amsterdam. Samen dragen ze de naam Top-600: de criminele top van Amsterdam – een beetje alsof het de bazen van een hoofdstedelijke maffia zijn.

Die top-600 van veroordeelde jongeren wordt uitgebreid gescreend door de politie. Hun broertjes en zusjes worden aan huis bezocht. Het idee: zorgen dat de jonge veelplegers niet nog eens de fout in gaan, en zorgen dat hun broertjes en zusjes niet ook op het verkeerde pad belanden.

Het is een van de voorbeelden van wat we predictive policing noemen: het idee dat je, door grootschalig informatie te verzamelen, misdaad kunt voorkomen. Met als einddoel een criminaliteitsvrije samenleving – inderdaad, net als in die ene film, Minority Report.

De intenties achter zo’n top-600 zijn niet slecht. Criminaliteit willen voorkomen is een nobel idee. Maar bekijk je het in het licht van onze huidige samenleving, dan wordt het wel problematisch. We noemen het de risicosamenleving: een samenleving die erop is ingericht om al het gevaar dat je als mens loopt uit te sluiten – van diefstal tot terroristische aanslagen. Een van haar uitwassen – de wens om predictive policing werkelijkheid te laten worden – heeft echter veel negatieve gevolgen.

Daarover sprak ik afgelopen zomer met hoogleraar criminologie Marc Schuilenburg. (Lees het artikel hier terug). Hij liet me niet alleen inzien dat de uitwassen van predictive policing negatief kunnen zijn, maar dat ook de gedachte erachter verkeerd is. De criminaliteitsvrije samenleving is de utopie van de risicosamenleving. Maar als mensheid zijn we niet beter af als criminaliteit niet meer bestaat.

Dat is een van de bekendste, meest controversiële standpunten van de socioloog Émile Durkheim (1858-1917). Hij stelt dat criminaliteit juist thuis hoort in een samenleving. Het heeft een sociale functie: criminaliteit laat een samenleving zien wat wel en niet mag. Zoals het goede niet kan bestaan zonder het kwade, hoeven wetten en regels niet te bestaan bij de gratie van mensen die deze toch al niet overtreden.

Begrijp me niet verkeerd: ik pleit niet vóór criminaliteit. Als je van je tas wordt beroofd, is dat al vervelend. Ernstige vormen van criminaliteit – liquidaties, aanslagen, drugskartels – kunnen een samenleving zelfs ontwrichten. Het is nodig om criminaliteit in te perken. Maar het voorkómen, dat is een ander verhaal. Teken je voor een samenleving zonder criminaliteit, dan teken je voor een samenleving waarin het innerlijk leven van alle mensen wordt gecontroleerd. Impulsiviteit, risico nemen, zelf uitvinden wat je wel en niet kunt maken tegenover anderen: dat is er niet meer bij.

Zelf heb ik één noemenswaardige criminele daad gepleegd. Ik was zeven en ging een kijkje nemen bij de snoepwinkel in het dorp waar ik ben opgegroeid. Van klasgenootjes had ik stoere verhalen gehoord: je zoekt snoepjes uit, maar stopt er ondertussen ook een paar zelf in je mond. Dat wilde ik ook proberen. Maar voor ik snoepjes in een zak zou gaan doen, wilde ik eerst alle soorten die er waren bekijken. Daar deed ik nogal lang over. En daarom kwam – net op het moment dat ik een toffee in mijn mond stopte – de eigenaar naar me toe om alleraardigst te vragen of ik naar iets specifieks op zoek was. Ik zie zijn ronde, roodwangige gezicht met het zwarte haar nog steeds voor me. Ik, zeven jaar en in paniek, zei niets en liep snel de winkel uit, het snoepje nog in mijn mond.

Het resultaat hiervan? Ik schaamde me diep. Zo diep, dat ik erna nooit meer iets heb durven stelen. Geen snoepjes, geen kleding, geen drankjes bij de bar als de barman toch net omkijkt. Ik kan het niet en ik durf het niet. En dat is wat Durkheim bedoelt met de sociale functie van criminaliteit: we hebben allemaal in onze jeugd wel eens een ruitje ingetikt, illegaal vuurwerk afgestoken, iets gepikt bij een winkel. Maar dat heeft de meesten van ons geleerd om het daarna nooit meer te doen.

Criminaliteit kun je niet voorkomen: het enige wat je kunt doen, is degene die een criminele daad heeft gepleegd proberen op andere gedachten te brengen. Gedachten die ertoe leiden dat hij zoiets niet weer zal doen. Dat kan straf zijn, of aanspraak doen op een gevoel van schaamte. In ernstigere gevallen gaat het vaker om het veranderen van sociale omstandigheden, van een persoon of zelfs van een hele bevolkingsgroep.

Een kind uit de top-600 heeft er niets aan als de politie gedurende de hele dag weet waar hij of zij uithangt. Zijn broertjes en zusjes hebben er niets aan wanneer zij worden weggezet als ‘risicojongeren’. Laat deze kinderen juist vrij door ze inzicht te bieden in hoe het anders kan. Werk aan de sociale omstandigheden waar ze in verkeren. Zo lang ongelijkheid bestaat, zal criminaliteit immers ook altijd bestaan.