Leve de vrije wil

Er zijn neurowetenschappers die niets willen weten van het aloude begrip ‘vrije wil’. Dat duidt op een illusie, vinden zij, omdat niet ik maar mijn brein uitmaakt wat ik doe of wil. Ik wens ze veel succes met de voortzetting van de rest van hun leven. Het is niet dat ik ontken dat bij alles wat ik doe mijn brein betrokken, of dat mijn bewustzijn bij heel veel activiteiten of denkprocessen nauwelijks actief betrokken is. Maar als we het gevoel van vrije wil zouden negeren of als irrelevant terzijde zouden zetten, zijn we als het ware slaaf van ons brein. We zouden ons dan collectief gedragen als zombies die de controle over hun doen en laten verloren hebben. Zo ervaren velen hun onbedwingbare zucht naar drank, drugs of andere verslavende gewoonten.

In 1995 verdedigde ik mijn proefschrift over de geschiedenis van de drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland. De eerste zin luidde: ‘Dit is een boek over zelfbeheersing.’ Ik had mij laten inspireren door de grote socioloog Norbert Elias die haarfijn de grondslagen van het West-Europese beschavingsproces had geanalyseerd. Zijn werk was in zekere zin een ode aan de zelfbeheersing of, zo men wil, een hymne voor een steeds verfijndere zelfdisciplinering van onze emoties, cognities, motivaties en gedrag.

Niet lang na mijn proefschrift kwamen neurowetenschappelijke ideeën over verslaving in de mode. De proponenten daarvan stelden onomwonden dat verslaving een ‘hersenziekte’ is – punt. Dat leverde veel aandacht op én veel onderzoeksgeld, want met een simpele voorstelling van zaken krijg je altijd meer aandacht. En uiteraard betoonde men zich optimistisch over de oplossing: een pil – dus wederom iets slikken. En werkte het? Tot nu toe niet. Niet alleen dat die wonderpillen er niet kwamen, ook was de reductionistische onderzoeksbenadering, waarin vooral op moleculair of cellulair niveau werd gekeken, weinig succesvol. En dat had men kunnen weten. Mensen zijn systemen van systemen. Wil je begrijpen hoe dat ensemble van systemen bepaalde functies vertoont (zoals zelfbeheersing) of atypisch gedrag tentoonspreidt (zoals verslaving) dan is een reductionistische benadering, waarin je het geheel probeert te verklaren vanuit de kennis op één niveau volstrekt onvoldoende. Daarom is er ook geen ‘gen voor alcoholisme’ gevonden en ziet het er ook niet uit dat dit ooit zal gebeuren. Niet alleen omdat er bij verslavingsgedrag waarschijnlijk heel veel genen een (vaak maar heel kleine) rol spelen, maar ook omdat die genen slechts van invloed zijn op processen die zich op een basaal biologisch niveau afspelen. Wat de functionele effecten daarvan zijn op een hoger niveau kun je nooit alleen ‘aflezen’ van de processen op een lager niveau. En het omgekeerde werkt ook niet: je kunt aan de hand van psychische of psychosociale processen niet afleiden dat er op een lager niveau dit en dat speelt.

Willen we het verschijnsel verslaving begrijpen, en voor zelfbeheersing geldt precies hetzelfde, dat moeten we heel precies zijn in de aanduiding van het niveau waarop het verschijnsel wordt beschreven en geanalyseerd. En vervolgens moeten we proberen een samenhang te vinden op een lager niveau, en daarna weer een lager, et cetera. Geen niveaus zomaar overslaan. Kennis van zo’n samenhang betreft uiteraard niet alleen een statistisch verband. Dat is nog heel oppervlakkig. Het gaat erom dat we weten hoe het werkt, wat de onderliggende mechanismen zijn – de processen die kunnen verklaren waarom het systeem zich gedraagt zoals het zich gedraagt.

De uitdrukking ‘verslaving is een hersenziekte’ stigmatiseert, en daarbij: het helpt de betrokkenen niet bij hun gedragsverandering. Want wat kun je er nog aan doen? Gelukkig nemen veel mensen met een verslaving hun ‘ziekte’ zelf ter hand. Velen lukt het met vallen en opstaan bij zichzelf een knopje om te zetten. Roken is bijvoorbeeld een zwaar verslavende gewoonte, dankzij de nicotine. Toch weet de meerderheid van de rokers die zijn gestopt dat op eigen houtje te doen. Geen hulpverlener komt daarbij aan te pas. Hoe ze dat doen? In ieder geval is het niet eenvoudig.

Inmiddels weten we veel over de grote hoeveelheden dopamine die vrijkomen door het gebruik van verslavende stoffen of verslavende gewoonten als gokken. Dopamine beloont, maar kaapt ook het beloningssysteem waardoor andere geneugten in het niet vallen. Het willen genieten van de alcohol of de drugs gaat snel over in het moeten gebruiken daarvan. De vrije wil raakt als het ware aangetast. Over hoe processen op biologisch niveau er stap voor stap toe kunnen leiden dat mensen hun zelfbeheersing verliezen weten we nog lang niet genoeg. Dat komt omdat we hier te maken hebben met processen op verschillende niveaus. Niettemin: het greintje wilskracht dat verslaafde rokers nog over hebben, is toch vaak genoeg om te stoppen. De vrije wil is bij verslaving in het geding, maar ook het belangrijkste middel om er vanaf te komen.

Leve de vrije wil!

Geplaatst in Verslaving

Over Jaap van der Stel

Jaap van der Stel (1953) is als senior-onderzoeker werkzaam bij GGz inGeest en als lector Geestelijke Gezondheidszorg verbonden aan Hogeschool Leiden. In 1995 promoveerde cum laude op een proefschrift over vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland. In 2009 promoveerde hij tot doctor in de geneeskunde op een wetenschapsfilosofische studie over de zoektocht naar de determinanten en mechanismen van psychopathologie.