Integratie is lastig, maar beter dan assimilatie

Het afgelopen jaar zijn veel grote woorden gebruikt in het integratiedebat. En met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is dat precies wat aankomend jaar ook gaat gebeuren. Sinds lang kan geconcludeerd worden dat migratiestromen van alle tijden zijn en de discussie daarover ook. Daarbij kan inmiddels worden opgemerkt dat de term “integratiedebat” de lading steeds minder dekt, althans wanneer we de Nederlandse situatie beschouwen. De neiging om deze term te vervangen voor “assimilatiedebat” lijkt na de opmerkingen van Lodewijk Asscher over immigranten in menig opzicht steeds logischer. Een vraag die hierbij gesteld kan worden is of deze verandering in terminologie de discussie, en daarmee de praktijk waarmee mensen in aanraking komen, in een wenselijke richting zal sturen.

Wie naar definities van integratie en assimilatie zoekt, zal merken dat deze niet eenduidig zijn. Ten eerste zijn deze begrippen op meerdere aspecten van de samenleving toepasbaar, zoals bijvoorbeeld economische en scheikundige processen. Ten tweede zijn op het hier betreffende gebied, namelijk de manier waarop nieuwkomers in een land het beste kunnen samenleven met de bewoners ervan, de meningen over de precieze invulling van de definities verdeeld. In grote lijnen kan echter gesteld worden dat bij integratie sprake is van het cultureel naar elkaar toe bewegen van nieuwkomers en ingezetenen, terwijl bij assimilatie nieuwkomers geacht worden naar de dominante cultuur van de ingezetenen toe te bewegen en niet andersom.

In de laatste decennia was er met betrekking tot het immigratievraagstuk steeds een relatief evenwicht tussen integreren en assimileren. Het linkse politieke kamp legde daarbij de nadruk op integratie en het rechtse op assimilatie. Omdat beide kampen over het algemeen redelijk dachten, werd beseft dat van nieuwkomers om praktische redenen meer mocht worden verwacht dan van ingezetenen, maar dat betekende niet dat laatstgenoemden geen water bij de wijn hoefden te doen.

Bij de totstandkoming van het kabinet Rutte II werd gebroken met de poldertraditie van het zoeken naar compromissen tussen de belangrijkste ideeën van twee of meerdere partijen die een coalitie wilden vormen. De immer nog rechtse VVD en de ooit linksere PvdA besloten tot een uitruil van wensen en konden op die manier snel tot zaken komen. Met betrekking tot het immigratievraagstuk betekende dit in de loop van afgelopen jaar dat de PvdA in de persoon van Lodewijk Asscher de nadruk begon te leggen op de assimilatie van nieuwkomers. Ergo, zowel links als rechts (voor zover die termen nog bruikbaar zijn) zien in assimileren het nieuwe integreren – om maar eens moderne taal te gebruiken.

In een politiek landschap waarbij men gewend is geraakt om rekening te houden met het populistische gedachtegoed van types als Geert Wilders, betekent dit waarschijnlijk weinig goeds voor de gemiddelde asielzoeker. Waar het in het verleden vaak bij woorden bleef, zal in de nabije toekomst vermoedelijk daadwerkelijk rekening moeten worden gehouden met een hardere koers ten opzichte van vluchtelingen: “jullie komen hier, dus jullie passen je maar aan.” Vrij vertaald wordt het steeds vaker zo gezegd, ook door de politieke elite. De vraag is hoe wenselijk dit alles is.

Uiteraard is het op een aantal praktische punten wenselijk als nieuwkomers assimileren. Het zijn wellicht de geijkte zaken, maar daarom niet minder belangrijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan het leren van de taal en bij voorkeur ook het schrijven ervan. Daarnaast is enige kennis van de wet onontbeerlijk en is het op zijn minst bijzonder prettig als een nieuwkomer zich de gewoonten in de publieke ruimte van een land tot op zekere hoogte eigen maakt.

Toch zijn er minimaal twee redenen om integreren boven assimileren te verkiezen: als links ook rechts wordt en de voorkeur meer en meer naar pure assimilatie zal uitgaan, zoals nu het geval lijkt, is er geen tegenstelling en daarmee geen tegenmacht meer om ervoor te zorgen dat rechts extreemrechts wordt. Om dezelfde reden zou het tegelijkertijd ook niet wenselijk zijn als rechts links wordt. Daarnaast wordt de tegenstelling tussen nieuwkomer en ingezetene bij assimilatie juist wel groter, omdat men bij integratie naar elkaar toe beweegt, terwijl de beweging bij assimilatie maar van een kant komt. Oftewel, nieuwkomers en ingezetenen zullen alleen maar meer en meer met elkaar gaan botsen als men meer en meer van assimilatie uitgaat in een land.

Om het tenslotte iets persoonlijker te maken. Wanneer ik boodschappen doe bij de Turkse supermarkt, zie ik mezelf niet op de koffie gaan bij de eigenaar. Maar laten we niet vergeten dat daar boodschappen doen – ik doe dat voor het voordeel, maar ook met oprecht plezier – op zichzelf al een vorm van integratie is. De eigenaar, medewerkers en ik gaan op dat moment respectvol met elkaar om en is dat eigenlijk niet alles wat we nodig hebben?

Geplaatst in Integratie

Over David van der Landen

David van der Landen studeerde in 2003 als docent af aan de Faculteit Geschiedenis van de Hogeschool van Utrecht. Sindsdien geeft hij les aan VMBO klassen op scholengemeenschap De Goudse waarden te Gouda. In 2012 studeerde hij af aan de Universiteit van Utrecht, alwaar hij de Deeltijdmaster Geschiedenis volgde. Zijn afstudeerscriptie handelde over de utopische tendensen in het werk van de Egyptische filosoof Hassan Hanafi. Momenteel volgt hij de Eerstegraads Master Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.