Hier moet ik naar terug

Ergens in de verte, naar het scheen uit alle richtingen, galmden kerkklokken, het woud bleef verder stil. Eindelijk kwamen we bij ons land. We zagen de houten schuren, de gebouwen, de kale fruitbomen, het woonhuis. Er schuifelden silhouetten door de sneeuw. Familie, bekenden, iedereen uit de omgeving, zo leek het. Bij de poort stonden twee grote kaarsen. Er stond een vrouw bij die tevergeefse pogingen deed om ze brandend te houden.

Centraal in het woonhuis lag de oude man opgebaard. Zijn lichaam was nagenoeg verdwenen in de glimmende bekleding van een veel te grote kist. We bogen ons hoofd en mijn moeder kuste het kruis dat op zijn borst was gelegd. Toen legde mijn vader een hand op mijn schouder. Het was mijn beurt. Onzeker schuifelde ik naar voren. Hij had me op het hart gedrukt dat ik niet bang hoefde te zijn. Nergens voor nodig. Mama’s papa, moj deda, mijn opa had vrede gevonden.

Ik gilde. Mijn moeder gilde terug.

‘Bog te posrao, majmune. God schijt op je, domme aap,’ snauwde mijn vader en kleurde direct rood van schaamte voor zijn eigen lompheid.

Doordat alle kracht uit het gezicht van de oude man was verdwenen, vormden de groeven in zijn gezicht een diabolische grimas. Ik wilde me afwenden maar staarde gebiologeerd naar de demon die voor me lag. Toen begonnen de muren te wankelen. Ik dreigde naar achter te vallen. Drie in het zwart geklede dametjes, die zichzelf de regie hadden gegeven, vingen me op en voerden me kordaat af, terwijl ze een gebed begonnen te zingen.

We bleven drie dagen en gaven ons over aan de zwarte dametjes, die ons onderdompelden in een kalmerende wereld van onwrikbare rituelen. De vrouwen wasten de kleren voor de mannen, de mannen voor de vrouwen. Twaalf handdoeken gebruikten we. We zongen gebeden, bakten het dodenbrood, waakten om beurten bij de kist.

Op de derde dag was de begrafenis. Ik moest een kruis dragen naar de rand van ons land. Achter me ploeterden de mannen door de sneeuw met de kist op hun schouders, gevolgd door de vrouwen, die het eten droegen. Mijn vingers en tenen deden pijn van de kou. Na drie dagen verblijf in de houten schuren verlangde ik naar ons huis in de stad, naar de behaaglijke warmte.

De dag ervoor was er al een kuil gegraven. Blijkbaar had iedereen het koud, want de mannen gingen direct aan het werk met de graflegging. Terwijl de drie dametjes over het gejammer van mijn moeder probeerden heen te zingen, zakte de kist naar beneden.

Ik dacht aan de oude man. Aan de overweldigende geur van teer. Aan het legermes, de bootjes. Hoe hij me had gered van de beer. Mijn opa, nu in de kist, met de grijns van de duivel op zijn gezicht.

De kist schoot los en viel met een harde klap op de bodem van de kuil.

‘Jebote. Sorry, mijn handen,’ bromde mijn vader. ‘Geen gevoel meer.’

Toen het gat min of meer was dichtgegooid, spreidden de dametjes een tafellaken over het graf en zetten alle eten erop. De verkleumde rouwstoet viel schaamteloos aan. De dametjes deelden žito rond, gekookte tarwe met suiker. Žito en šljivovica. Eerst op de grond, daarna in de glazen. Ik kreeg ook. De alcohol boorde een gat naar mijn maag als warm water in de sneeuw.

‘Je eerste šljivovica,’ fluisterde mijn vader me trots toe. Hij sloeg me hard op mijn rug, terwijl hij dramatisch een traan uit zijn oog liet biggelen. Ik had hem nog nooit zien huilen. Was het de kou, de drank, de emoties? ‘Jebem ti mater, mijn zoon wordt een man.’

Ik maakte hieruit op dat ik de filmdagen met Dragan Strinić succesvol geheim had gehouden. Ook de gewonnen en verloren verliefdheid op Vesna Stulić moest hem zijn ontgaan.

Zijn onwetendheid ontroerde me. Schuldgevoel borrelde bij me op. Zoals alle kinderen, wilde ik geen geheimen voor mijn ouders hebben. Nenad en Branka, het schitterende echtpaar: James Bond en het guitige bloemenmeisje. Noest werkende arbeiders waren ze geworden, ouders die zich nooit opdrongen, die er altijd waren. Een deken die ik over me heen kon trekken, wanneer ik wilde.

Ik barstte in tranen uit. Niet om mijn opa, misschien ook om mijn opa. Mijn ouders sloten me in hun armen, waardoor ik nog harder begon te huilen.

In de lente gingen we terug de bergen in. De tocht was een stuk eenvoudiger. Aan de rand van ons land stond een grafsteen van donker marmer. Op de steen zat een wazige zwart-witfoto bevestigd van een jongeman met een volumineuze snor. Ik herkende slechts zijn šajkača, de typische, in een V geplooide hoed. Uit de zerk stak een kraantje, waaruit water sijpelde. IJskoud bronwater.

Moram da se vratim, moji Nils. Hier moet ik naar terug.

 

fragment uit de roman ‘De wetenschap van Tara’

 

Geplaatst in Vergankelijkheid

Over Tim van der Veer

Tim van der Veer (1969) werkt als Head of Brand bij de wereldwijde ontwikkelingsorganisatie Oxfam International. In 2012 debuteerde hij met het avontuurlijke hardloopboek Runner’s high bij De Arbeiderspers. De wetenschap van Tara, zijn literaire debuut, is een even onvoorspelbare als onweerstaanbare roadroman, vol wonderlijk tragische humor en trefzekere verbeeldingskracht. 'Tim van der Veer schreef een sterke road novel over werktuigelijke loyaliteit, de emotie achter de ratio en de levendigheid van het verleden. Lezen met een glaasje šljivovica binnen handbereik!' – Erik Jan Harmens over De Wetenschap van Tara