Het gif van de werkelijkheid

Er wordt te weinig gedronken. En als er wel wordt gedronken, wordt er verkeerd geklonken.

Je moet je glas zo hard mogelijk tegen dat van een vriend, vijand of vreemde slaan. Zodat de drank over de rand klotst en de alcohol wordt vermengd. Dat is hoe Vikingen, koningen en keizers het deden. Alleen zo wist je zeker dat de ander je niet probeerde te vergiftigen.

Tegenwoordig is het niet chic meer om glazen te laten raken, zelfs niet als het zachtjes gebeurt. Je hoort nu je glas het luchtledige in te tillen en er minzaam glimlachend bij te knikken. Zo worden er geen glazen gebroken, bacteriën uitgewisseld of kledingstukken bevuild. Zo houden we het netjes – de ander blijft op veilige afstand.

Het past bij deze tijd. Die is bovenal keurig en mak. Gericht op orde en heilzaamheid. We dienen gezond te eten, veel te sporten en onze geest te reinigen met therapie, zelfhulpboeken of pillen. Overtollig vet wordt weggesneden, rimpels opgespoten, tot onze huid net zo glanst als onze ziel en darmen. Schoon moet het zijn. Opdat geen E-nummer, vetrol of jeugdtrauma ons nog belet optimaal te presteren.

Verdwenen is de woestheid, het liederlijk genot. We zijn zoals we proosten – de hele cultuur is ontsmet. Want ook daarin blijft de ander op steeds veiligere afstand. De losers en de outcasts, zij die minder ordelijk en heilzaam zijn, minder gezond en productief – ze verdwijnen steeds meer buiten beeld. En we raken elkaar al helemaal niet meer aan.

Dat valt het meest op in de kunsten. In films, literatuur en muziek. Ooit lieten verschoppelingen en vrijbuiters daar luidruchtig van zich horen. Onaangepaste mannen en vrouwen die niet leefden zoals het hoorden, uit eigen keuze of omdat ze beland waren in het afvoerputje van een economisch systeem. Van Charlie Chaplin tot Dean Moriarty, van de rebellen uit Easy Rider tot Jan Cremer, ja zelfs het uitschot van de familie Flodder – allen waren verbeeldingen van de afwijking, levend volgens hun eigen normen en waarden.

Dirty realism werd het in de Amerikaanse literatuur genoemd, of Kmart realism, naar de goedkope warenhuizen waar de armen hun boodschappen doen. Charles Bukowski en Raymond Carver gelden als de aartsvaders ervan.

Tegenwoordig domineert vooral het Albert Heijn-realisme. Romans spelen zich af in de bovenklasse, personages zijn welvarend en hoog opgeleid, ze verdienen hun geld als leraar, schrijver of architect. Hebben ze een rotbaantje dan is dat niet omdat het moet, maar omdat ze niet weten wat ze willen. Zeker bij jonge schrijvers is het voornaamste probleem van personages keuzestress over alle volle schappen.

Zou het komen omdat schrijvers zelf steeds vaker uit de gegoede klasse komen? Carver noemde zichzelf een ‘paid-in-full member of the working poor,’ zijn achtergrond was er een van armoede. Zijn hedendaagse schrijvers dan betaalde werknemers van de elite?

Het is wat journalist Sean O’Hagan onlangs betoogde over popsterren. In The Observer stelde hij dat popmuziek gentrificeert – de yuppen nemen het over. Steeds meer populaire Britse bands komen uit welvarende families. Ze groeiden op in chique buurten, zaten op privé-scholen, hadden tijd genoeg om zich muzikaal te ontwikkelen. Tijd die voor de arbeidersklasse, potentiële Sex Pistols, niet voorhanden is met de almaar stijgende kosten van levensonderhoud.

Je zou het een aanvulling kunnen noemen op Piketty’s Kapitaal in de 21e eeuw – ook in de popmuziek groeit de kloof tussen arm en rijk. De lagere klassen komen er steeds moeilijker tussen.

Waar het uiteindelijk om gaat is normativiteit. Wat wordt als gangbaar geaccepteerd? De stem van de buitenstaander, degene die een ander leven leidt of lijdt dan hoegenaamd hoort, maakt de norm minder vanzelfsprekend. Ooit drong de zelfkant van het bestaan, de rommel en smerigheid, via kunst burgerlijke levens binnen. Tegenwoordig ziet de welgestelde klasse vooral nog zichzelf.

In de kunsten, maar ook op straat. We leven in een tijd waarin het vuil steeds minder zichtbaar is. Binnensteden gentrificeren, koffieketens rukken op, de straten worden schoongeveegd – in de meeste buurten mogen dronkenlappen, verslaafden en bedelaars al niet meer komen. Volgens technologievoorspeller Ayesha Khanna duurt het niet lang meer voordat ‘slimme’ contactlenzen daklozen helemaal uit beeld laten verdwijnen.

Toen vorig jaar het bericht kwam dat bijna de helft van de New Yorkers op de armoedegrens leeft, waren er veel geschokte reacties. Niemand die zulke aantallen had verwacht. Want dat is wat er gebeurt als de buitenstaander geen stem krijgt, het afwijkende geen gezicht. Dan verdwijnt de realiteit uit beeld en lijkt het alsof we echt in een zonnige, schone samenleving leven waarin het grootste probleem keuzestress is over de schier oneindige hoeveelheid kansen.

Er moet meer worden gedronken. En vooral moet er veel woester en smeriger worden geklonken. Waarbij de ander niet op veilige afstand blijft, maar we elkaar zien en raken. Opdat het gif van de werkelijkheid optimaal kan worden vermengd.

Dit is een ingekorte versie van een artikel dat eerder in NRC Handelsblad en nrc.next verscheen