Fantoombezit

Hoe ridicuul is het hebben of verkrijgen van materieel bezit? In feite zijn onze gedachten het enige bezit dat we hebben. Alle materie is niets meer dan een zwerm dansende moleculen, die de illusie creëren van een vaste stof. Zelfs ons lichaam is in zekere zin niets meer dan een aanhangsel van onze gedachten; ons stoffelijk overschot. En zoals alle pijn een vorm van fantoompijn is – alle lichamelijke pijn die wij ervaren, voelen wij enkel vanuit onze hersenen – zo is alle bezit een vorm van fantoombezit. We denken materie te bezitten, dat in werkelijkheid niets meer is dan die zwerm dansende moleculen.

Desondanks trachten wij onze gedachten te bevredigen met de idee ons te moeten omringen met materiële waarden. Dit varieert van het onderhouden van ons lichaam door middel van tatoeages, met botox geïnjecteerde huidplooien of andere lichaamsversierselen tot aan het verkrijgen van hippe kleding, een luxe auto of een groot vrijstaand huis. Allemaal vormen van zichtbare statussymbolen, welke ons zelfbeeld bepalen doordat we menen het nodig te hebben om aanzien en erkenning te verkrijgen te midden van onze sociale jungle.

Maar wat is die materiële geldingsdrang waard wanneer blijkt dat het nooit tot de optimale bevrediging kan leiden? Mensen zijn immers als bloedhonden; eenmaal geproefd aan luxe en gemakzucht betekent steeds méér willen verkrijgen. En niet alleen dát! De luxe moet ook nog eens veilig gesteld worden. Ieder ander mens buiten onze comfortzone is een rivaal, een angstgegner. Wanneer men niet tijdig graait, zal een ander het voor hen weg kunnen graaien.

Hierdoor zijn mensen tot het besef gekomen dat het beperken van het aantal rivalen de comfortzone vergroot. Wanneer de buurman immers ook een mooie grote auto bezit, zal de kans kleiner zijn dat hij mij berooft van mijn luxe auto. De criminaliteit en onveiligheid in samenlevingen waar een groot verschil in rijkdom en armoede bestaat, is nu eenmaal veel groter dan in een verzorgingsstaat, alwaar die verschillen veel kleiner zijn. Simpel gezegd; het in een groep leven en de voorraad delen brengt het individu tot meer overlevingskansen en veiligheid.

En dat hebzucht een vanuit overlevingsdrift ontsproten mechanisme is, lijkt een vaststaand feit. Ten tijde van de ruilhandel werden goederen al afgemeten naar schaarste. Men zou nooit een lucratieve melkkoe ruilen tegen een appel en een ei. Het feit dat iets als lucratief werd beschouwd en dat er überhaupt ruilhandel werd gedreven, betekent dat hebzucht geen hedendaags fenomeen is, maar iets van alle tijden.

Desalniettemin is er tegenwoordig steeds meer sprake van een doorgeschoten drang om zoveel mogelijk te bezitten. Vanuit zelfbehoud en om te overleven hebben we ons een gretigheid aangeleerd welke ten koste gaat van anderen en van de natuur. Vanuit het enige werkelijke bezit dat we bezitten; onze gedachten, lijkt alle focus te liggen op het bereiken van een soort materieel nirwana. Al gaat dit ten koste van wat ons echt gelukkig maakt. Dingen die niet te koop zijn, zoals persoonlijke relaties en geestelijke gezondheid.

We hoeven ook niet echt meer te knokken om te overleven. We hebben blijkbaar onze grenzen verlegd en vinden dat we al veel moeten trotseren wanneer we acht uur per dag moeten werken. We bekommeren ons niet meer om ‘overleven’ maar om hoe ergonomisch verantwoord onze werksituatie is. We zijn niet meer bang of we straks nog wel brood op de plank hebben, maar of we die tweede auto wel kunnen betalen. Om daarnaast twee keer per jaar op vakantie te gaan en die smartphone te kunnen kopen waarvan we menen dat die onze wensen bevredigd. Om vervolgens middels deze statussymbolen te tonen hoe gelukkig we zijn. Dát betekent overleven in onze huidige samenleving.

Doordat we meer behoeftig zijn naar een Apple dan naar een appel, lijken we het verschil tussen behoefte en begeerte niet meer te kennen. De mensheid heeft klaarblijkelijk weinig geleerd van koning Midas, wiens honger naar materiële rijkdom bijna zijn hongerdood betekende, doordat hij wenste dat alles wat hij aanraakte in goud zou veranderen. En daarmee dus ook zaken waar hij werkelijk behoeftig naar was, zoals zijn eten en zijn drinken.

Om weer meer tot het besef te komen dat onze honger naar materieel bezit niet onze werkelijke overleving is, zou iedereen eens wat vaker deze doeltreffende tekstregel als een mantra in zijn gedachten mee moeten nemen; “You can’t always get what you want…  But if you try sometimes… You just might find…You’ll get what you need”. Eventueel met de denkbeeldige geruststellende melodie erbij.

Geplaatst in Eigendom

Over Thomas Langerak

Thomas Langerak (1973, Woerden) is autodidact en beschouwt academies als een beknotting van creativiteit. Wanneer hij niet reist is hij woonachtig te Utrecht. Zijn passies liggen behalve in het bezoeken van landen en culturen, in geschiedenis en sociale antropologie en het ontdekken van muziek en literatuur.