Europa in verval

Toen enkele jaren geleden banken omvielen, bankiers massaal in het beklaagdenbankje terecht kwamen en politici over elkaar heen buitelden om te verklaren dat er ‘met het systeem niets mis is en we ons vooral moeten richten op de toekomst,’ begreep ik dat wij gedoemd zijn ten onder te gaan. Het kan nog even duren, maar stuiptrekkingen horen nu eenmaal bij een doodstrijd.

De Europese Bankenautoriteit stelde inmiddels voor bonusregelingen voor bankiers op te rekken als blijkt dat zij geen grote risico’s nemen. Opmerkelijk; alsof er niets is gebeurd, wil ook Brussel zich gaan inspannen om de ondergang van het oude continent te bespoedigen. Ga maar na; als banken de laatste jaren ergens níet in zijn geslaagd, is het wel het inschatten van risico’s – de voorbeelden zijn legio. Wat is hier aan de hand? Is het een gebrek aan intelligentie? Is het overschatting van eigen kunnen? Afgaand op de geschiedenis komt bij mij slechts één begrip boven drijven: decadentie.

Volgens de Van Dale is decadentie ‘in verval’ of ‘zeer verfijnd, maar innerlijke kracht missend.’ Dit laatste sluit aan bij bovenstaand voorbeeld. Het Europese project heeft geen culturele en spirituele noodzaak en zit daarom niet in de harten van de burgers die haar zouden moeten steunen. Alles wat anno 2014 uit naam van Europese eenheid wordt gedaan, zou men als decadent kunnen wegzetten; Europa is op dit moment een buitenkant zonder een sterk innerlijk democratisch hart. Reanimatie is hoognodig, maar of de patiënt gered kan worden, is de vraag.

Toen de Verenigde Staten in 1945 Europa bevrijdde, groeide de Amerikaanse popcultuur navenant mee, omdat zij een geluid van vrijheid propageerde. Een geluid dat Nederland en de rest van Europa, met een oorlog achter de rug, graag wilde omarmen. Welbeschouwd zou een unie met de grote broer aan de andere kant van de plas dan ook logischer zijn dan het huidige bondgenootschap met Bulgarije. Dat de weeffout die Europese uitbreiding heet een heilloze weg is, bewijzen Zwitserland en Noorwegen dagelijks.

Hoe komt het, is de onvermijdelijke vraag die zich opwerpt, dat Europese leiders zo druk bezig zijn de agenda van de politiek uit te rollen, daarbij over het electoraat heen stappend alsof ze er niet is? Hoe komt het überhaupt dat politici denken zich dat te kunnen permitteren? Iedere dag worden immers revoluties in gang gezet, dus waarom niet in Europa? Vrede is nimmer een status quo.

Ik vrees dat de dit-nooit-meer doctrine van na de Tweede Wereldoorlog hier een belangrijke rol speelt. De continue propagandamachine die Europa over ons uitrolt, waarschuwt voortdurend voor de absolute ondergang van ons allen als we het wagen het inmiddels vergevorderde Europese project te betwijfelen. Dit maakt goed geïnformeerde burgers woedend, aangezien er vanuit wordt gegaan dat de burger het grote geheel niet kan overzien en daarom nooit een goed oordeel kan vellen. Als we de wijze beleidsmakers mogen geloven, komt de zondvloed over Europa als we terugkomen op eerder genomen beslissingen. Ik zeg met opzet beslissingen, omdat de democratische wil van het Europese volk op geen enkele wijze is gerespecteerd in dezen. Politieke beslissingen die zover af staan van democratische legitimatie verdienen geen doorgang.

Democratie als wederkerig principe – de burger en politiek zijn één en leggen voortdurend verantwoording aan elkaar af – is in Nederland nooit een leidend adagium geweest. In het veel democratischer Zwitserland mag men stemmen tegen moskees – wat getuigt van beperkte godsdienstvrijheid, maar wel een door en door democratisch besluit is; men beslist immers over het eigen lot en dat van de directe omgeving. Dat democratie beter tot zijn recht komt in het Alpenland moge daarmee duidelijk zijn. Referenda over hoofdzaken vormen de barometer van de publieke opinie en worden naar de letter gevolgd, zoals dat hoort in een wederkerige democratie.

Terug naar Nederland. Het democratische gehalte van de besluitvorming rondom deEuropese integratie is bijzonder slecht te noemen. Bij de Europese verkiezingen in 2004 nam 39,1% van de kiezers de moeite een stem uit te brengen. Vijf jaar later was dit percentage gezakt naar 36,5. Veelbetekend is dat in 2005 nog wel massaal tégen de Europese Grondwet werd gestemd. Liefst 61,6% van de opgekomen kiezers liet weten geen been te zien in meer bevoegdheden voor Brussel. Dit voorbeeld laat zien dat de kiezer zich niet laat mobiliseren vóór Europa, maar wel zijn stem laat horen als dat nodig is. Dat politici deze uitkomst volstrekt arrogant naast zich neer hebben gelegd, is de beste illustratie van het feit dat de Europese politiek in verval is en aan innerlijke leegheid en gebrek aan urgentie ten onder gaat.

Decadent, zo zou het huidige Europese project moeten worden omschreven. Een paard van Troje, dat Brussel werd binnen gereden, maar waarvan iedere weldenkende geest inmiddels kan inzien dat het hier slechts om de buitenkant gaat. Een kloppend hart had het Trojaanse ros immers niet.