Een burger ben je nu!

Sinds 1 februari 2006 is burgerschapseducatie wettelijk verplicht op school. Er wordt verwacht van elke onderwijsinstelling in het basis- en voortgezet onderwijs dat er aandacht besteed wordt aan actief burgerschap en sociale adhesie, gericht op de individuele leerling. Volgens de wet komt leren over maatschappij en burgerschap tot stand langs vele processen die zich in verschillende omgevingen afspelen.

Veel van de beoogde doelen zijn open deuren. ‘De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.’ Is dat niet sowieso een taak van de scholen zolang er leerplicht is? Natuurlijk is dat in eerste instantie een taak van de ouders, maar het accent wordt al sinds decennia steeds meer richting school verlegd. Verder wordt in de doelen omschreven dat de leerlingen leren over hoofdzaken van geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en leren ze respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen. Ook dit behoort al langer tot de taak van de school en niet pas sinds het invoeren van de burgerschapseducatiewet. ‘De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties positief kan beïnvloeden.’ Zeer belangrijk, maar of dat nu per se een aspect van burgerschapseducatie moet zijn of standaard in het lesprogramma moet staan, is discutabel.

Met bovenstaande doelen als uitgangspunt, kun je met de uitvoering veel kanten op. Het wordt volledig aan de scholen overgelaten hoe ze dat invullen en dat gebeurt dan ook op veel verschillende manieren. Bij de ene school liggen uitgewerkte plannen klaar en gaan de leerlingen een aantal keer per jaar eropuit om ‘kennis te nemen van de maatschappij’. Bijvoorbeeld door middel van bezoeken aan buurthuizen, theaters en musea e.d. Andere scholen gaan ervan uit dat burgerschapseducatie bij vakken als maatschappijleer, levensbeschouwing en geschiedenis opgenomen is in de methodes en als het mee zit, halen ze één keer per jaar een toneelvoorstelling of iets dergelijks naar school waarin aandacht wordt besteed aan bijvoorbeeld cultuurverschillen.

Bij deze vormen van educatie mis ik vooral het leven van de leerlingen in de praktijk. Ook al komt volgens de wet het leren over burgerschap tot stand in verschillende omgevingen, de scholen zijn dat niet verplicht. Met elkaar, ouders en docenten (en medemensen), moeten we de leerlingen het belang van interactie met de medemens in het dagelijks leven meegeven. Veel communicatie verloopt tegenwoordig via computer of telefoon. Mensen hebben steeds minder ‘live’ contact met elkaar. Op beide gebieden moeten leerlingen ervaringen opdoen en leren hoe je je gedraagt en wat je taalgebruik is. Hoe reageer je als iemand iets tegen je zegt, ongeacht of je diegene tegenkomt of dat het geappt wordt. Wat doe je als er op straat iemand struikelt? Lach je diegene hard uit of help je hem overeind. Wat als je ziet dat iemand iets steelt. Hoe reageer je als iemand je spontaan gedag zegt? Voor al die situaties zijn geen pasklare antwoorden, maar leerlingen moeten er wel mee in aanraking komen. Niet alleen via georganiseerde situaties en rollenspelen e.d., maar vooral in het echte leven. Ga eens met hen de stad in. Hoe gedraag je je in een winkel? Hoe tijdens een partijtje straatvoetbal?

Het verbaast me dat er vooral wordt gesproken over het voorbereiden, opleiden en klaarstomen van de leerlingen om later als goede burgers te functioneren in de maatschappij. Later dus! Maar dan vergeten we een heel belangrijk gegeven: ze hebben die rol al! Natuurlijk als minderjarige, maar ook leerlingen zijn burgers die midden in de maatschappij staan en diezelfde maatschappij beïnvloeden door hun deelname daaraan. Moeten ze zich dan alleen als volwaardig burger gedragen tijdens de speciale lessen en uitstapjes en voor en na schooltijd erop los leven? Alsof je je burgerschap kunt aan- en uitzetten. ‘Maar ze moeten het nog leren,’ wordt er dan gezegd. Is het dan zo dat degenen die met een diploma van school afkomen allemaal weten wat burgerschap inhoudt? Onmogelijk natuurlijk. Allereerst verandert de maatschappij elke dag. Voortdurend worden we geconfronteerd met een samenleving die onderhevig is aan onnoemelijk veel invloeden. En ongeacht je leeftijd en ervaringen maakt iedereen fouten en leert iedereen van elke situatie een beetje bij.

Met de opkomst van sociale media en het verharden van de samenleving is burgerschapseducatie zeker geen overbodige luxe. Mits je in ogenschouw neemt dat wij allemaal burgers zijn vanaf het moment dat we het levenslicht zien. We zijn met elkaar verantwoordelijk voor elkaar en voor onze samenleving. Dus laten we dan ook allemaal, van jong tot oud, met welke achtergrond en opvattingen ook, proberen het goede voorbeeld te geven. Niet alleen aan onze schoolgaande jongeren. Maar aan alle mensen in de maatschappij. Dat is actief burgerschap! Daar worden we allemaal een betere burger van.

Geplaatst in Educatie

Over Anneke de Nies

Anneke de Nies heeft na het behalen van haar pabodiploma 17 jaar in het basisonderwijs gewerkt. Sinds augustus 2008 werkt ze als docent Nederlands op De Goudse Waarden in Gouda. In 2011 haalde ze haar diploma docent Nederlands 2e graad. Zij geeft les aan basis- en kaderleerlingen van klas 1 t/m 4 van het vmbo.