De voortdurende onderschatting van geweld tegen vrouwen en meisjes

In 1948 werd door de VN de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens aanvaard. Dat discriminatie van vrouwen een schending is van fundamentele mensenrechten, is sinds de jaren negentig formeel erkend en inmiddels bijna gemeengoed. Toch is de realisering van die rechten nog bepaald niet overal de praktijk. De Verklaring van de Rechten van de Mens bleek niet voldoende om specifieke rechten van vrouwen altijd te waarborgen: neem bijvoorbeeld reproductieve rechten (toegang tot geboorteregeling, veilige abortus), het recht van meisjes op onderwijs, het verbod op ontslag bij zwangerschap. Een belangrijke stap om in die leemte in de rechtsbescherming te voorzien is in 1979 gezet met het VN Vrouwenverdrag ter uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen, dat ook door Nederland is geratificeerd. Het verplicht de overheid niet alleen om alle vormen van discriminatie van vrouwen in wet- en regelgeving tegen te gaan. Het verplicht de overheid ook om positief beleid te maken om op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied, discriminatie te voorkomen en de ontplooiing en ontwikkeling van vrouwen mogelijk te maken.

Artikel 5 uit het Vrouwenverdrag verplicht de overheid “alle passende maatregelen (te nemen) om (…) te komen tot de uitbanning van vooroordelen, van gewoonten en van alle andere gebruiken, die zijn gebaseerd op de gedachte van de minderwaardigheid of meerderwaardigheid van één van twee beide geslachten of op de stereotiepe rollen van mannen en vrouwen.” Atria, het Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, is blij dat het mede dankzij de steun van de overheid, in het bijzonder het Ministerie van OCW, in uiteenlopende werkzaamheden actief bij kunnen dragen aan het doorbreken van die stereotypering: via bibliotheek, het internationale vrouwenarchief, in onderzoek en advisering en in een palet aan publieksgerichte activiteiten.

De noodzaak van de strijd tegen discriminatie en geweld als één van haar grondvormen, is in een onderzoek uit 2014 helaas weer eens duidelijk gemaakt. De uitkomsten van deze unieke studie onder 42.000 vrouwen in alle 28 EU-landen van het EU Mensenrechten Onderzoeksinstituut laten zien dat geweld tegen vrouwen epidemische proporties kent en een universeel voorkomend verschijnsel is. Eerder onderzoek van de WHO uit 2013, waaruit bleek dat in uiteenlopende landen wereldwijd gemiddeld een op drie vrouwen ooit met ernstig seksueel of fysiek geweld te maken krijgt, betreft ook Europa. En ook Nederland.

Na dergelijke onderzoeken beheersen ongeloof en verbijstering de media. Want als het zo erg is: waarom weten en merken wij dat niet? Het kàn niet zo erg zijn, want dan zouden we het moeten weten. Deze reacties werden mij niet lang geleden voorgelegd in een radio-interview, maar exact diezelfde vragen zijn mij ook al gesteld in 1989 toen vergelijkbare cijfers werden gepubliceerd over de omvang van partnergeweld tegen Nederlandse vrouwen. Ook toen bleek dat 21% van de Nederlandse vrouwen dit ooit van man of vriend meemaakte. ‘Dat kan niet waar zijn’ was toen de overheersende reactie. En onderzoeksuitkomsten over de schaal waarop seksueel misbruik en ongewenste seksuele ervaringen van meisjes voorkomen – een op de drie maakt het mee voor haar 16de – kreeg veel kritiek en hoon te verduren. Het feit dat beide onderzoeken later als proefschrift een cum laude ten deel viel bood enig wetenschappelijk tegenwicht.

Maatschappelijk gezien is het aanhoudende ongeloof misschien wel even schokkend als de cijfers zelf. Kennelijk beklijven de al langer bekende cijfers over de omvang van geweld binnenshuis niet. Ook nu blijkt, in de woorden van het EU rapport, dat de huiselijke woning de gevaarlijkste plek is. Niet de bosjes, waar de spreekwoordelijke enge man in schuilt. Geweld binnenshuis vormt het grootste veiligheidsprobleem voor vrouwen en meisjes. Als samenleving verdringen we kennelijk collectief een onverdraaglijke realiteit. Vrouwen en meisjes wereldwijd betalen hiervoor een enorme prijs met hun gezondheid, hun welzijn en hun veiligheid. In de samenleving strekken de gevolgen verder: economisch, sociaal, en natuurlijk de wissel die al dit geweld trekt op de volgende generatie die het ziet en hoort gebeuren.

Als het om geweld tegen vrouwen en meisjes gaat gelden ontwikkelingsdoelen ook voor Europa en Nederland. Het is geen probleem van zogenaamde ‘zuidlanden’. Laten we hopen dat in de Millennium Development Goals dit thema de plaats krijgt die het verdient, en er hiervoor een indicator wordt vastgelegd. Atria zal zich inspannen om het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor vrouwen en meisjes dichterbij te brengen. Als kennisinstituut pleiten wij natuurlijk ook voor onderwijs en kennisoverdracht als een van de krachtigste middelen om vrouwen en meisjes weerbaar te maken. Op weg naar een wereld waarin vrouwen en mannen zich als mensen in al hun talenten in vrijheid kunnen ontplooien. Met alle diversiteit die daarbij hoort. Een wereld waarin gelijkheid onomstreden is. En het meest overtuigende argument voor het ondersteunen van meisjes en vrouwen in het onderwijs is nog steeds het keiharde gegeven dat landen waar het opleidingsniveau van meisjes en vrouwen stijgt, tevens het BNP stijgt.