De mens als god

Hij hechtte veel belang aan zijn status en nam zichzelf graag als onderwerp van zijn werk. Albrecht Dürer, begonnen als edelsmid in de werkplaats van zijn vader, was misschien wel de eerste dandy die de kunstwereld leerde kennen. Salvador Dali, het prototype van de moderne dandy, zag pas vier eeuwen later het levenslicht en is schatplichtig aan zijn Noord-Europese voorganger. Het is dan ook geen toeval dat Dali in 1971 een hommage aan Dürer etste.

Beïnvloed door een periode in Venetië wierp hij zich, terug in het noorden, op als de schepper van een noordelijke equivalent van de Italiaanse renaissancestijl. In de noord-Italiaanse stad maakte hij kennis met het humanisme, voort gekomen uit de renaissance. Het zou zijn denkwijze over het leven drastisch wijzigen. Tegenstrijdig is daarbij wel dat hij in zijn werk altijd ronduit godsdienstige taferelen schilderde en tekende, op enkele uitzonderingen na. Het waren juist de excepties die hem zijn plaats in de geschiedenis opleverde.

Zijn kopergravure “Sint Eustachius” uit 1501 is een meesterwerk. De compositie is sterk christelijk; in technisch zeer subtiele schakeringen zien we het verhaal van de bekering van Sint Eustachius, in die tijd een veel gebruikt thema. Wat het een typische Dürer maakt was de nadruk op de natuur. Hij zag het leven als de belangrijkste katalysator voor een goed schilderij. Hij meende dat slechts door de geest te vullen met natuurgetrouwe beelden een schilder tot hoge hoogten kan rijzen.

Die hoogte hoefde niet tot de hemel te reiken, volgens Dürer. Ja, natuurlijk – wel in het openbaar. De kerk was eind 15e eeuw nog altijd oppermachtig. Opdrachtgevers waren meestal kerken of daaraan gelieerde hooggeplaatsten. Dürer was strikt genomen een handwerkslieden, zoals alle schilders in die tijd. Wat hem, naast zijn virtuoze techniek en gevoel voor compositie, bijzonder maakte was daarom iets anders.

Hij maakte portretten – van zichzelf. Dit was ongekend in een tijd waarin het christelijk geloof dat de mens niet lovenswaardig was nog in alle porieën van de samenleving aanwezig was. Zijn zelfportret uit 1500 is ronduit revolutionair. Jezelf afbeelden als Jezus, of als een koning, was tot dan toe niet gewoon. Hij maakte met dat werk een einde aan eeuwen van religieuze afbeeldingen in Europa en maakte de mens tot het centrale onderwerp van zijn kunst.

Waarschijnlijk werd die compositie hem ingegeven door zijn overtuiging dat de scheppende kracht uit de kunstenaar zelf kwam en slechts gedeeltelijk tot Gods scheppende natuur behoorde. De mens stond vanaf Dürer centraal en zou niet meer weg gaan, zo veel was duidelijk. Hij zou de weg banen voor een vorm van autonomie waardoor kunstenaars in de eeuwen die volgden steeds vaker hun eigen thema’s kozen. Rembrandt, Van Gogh, Dali, Picasso en Dumas. Maar ook een popwereld is niet mogelijk als slechts het goddelijke het waard is om afgebeeld te worden. Madonna die de Katholieke kerk beledigt? Uitgesloten in een streng christelijke wereld.

Albrecht Dürer heeft op uiterst geraffineerde wijze de autonome kunst ingeluid. Hij deed dat in een tijd dat de meeste heksenverbrandingen nog moesten komen, wat zijn prestatie nog wat aandikt. Hoewel, aandikken is niet het juiste woord want dat suggereert bluf. Weliswaar had de dandy Dürer bravoure, maar zijn reputatie heeft overdrijving niet nodig; die is volledig verdiend.