De Hegeliaanse filosofie van de geschiedenis

Hoe met het slavernijverleden om te gaan is voor velen een obstakel. Zowel voor hen die afstammen van de daders (of zich in ieder geval sterk met de daders identificeren) als voor degenen die afstammen van de slachtoffers. Waarom de nakomelingen van daders zich ongemakkelijk voelen bij dit verleden is duidelijk. Het is nu eenmaal niet prettig geconfronteerd te worden met de misselijkmakendheden van de voorvaderen. Echter, ook menigeen die weet dat hij afstamt van slaafgemaakten tracht het vraagstuk doelbewust in de taboesfeer te manouvreren. Hoe dit te verklaren?

In de eerste plaats identificeren sommigen zich ook heden ten dage nog altijd meer met de (voormalige) slavenmeester dan met zichzelf. Ze voelen plaatsvervangende schaamte als het controversiële onderwerp de revue passeert. Als diezelfde mensen zouden afstammen van koningen dan zouden ze waarschijnlijk minder moeite met het verleden hebben gehad, of er zelfs veel trots aan hebben ontleend. Het idee af te stammen van mensen die de laagst mogelijk sociale status hadden is vaak moeilijk te verteren: blijkbaar waren hun voorouders zwak en dom, want als ze sterk en schander waren geweest, dan hadden ze wel uit de klauwen van slavenjagers weten te blijven. Dus zijn we regelmatig getuige van mensen die zich in de gekst mogelijke Tarzanbochten wringen om de transatlantische slavernij te bagatelliseren of zelfs te romantiseren. We zien dat zowel bij hen die afstammen van daders als bij degenen die  afstammen van slachtoffers van de grootste misdaad tegen de menselijkheid uit de geschiedenis.

Een extreem voorbeeld van het romantiseren van de slavernij kan op het conto geschreven worden van  een nijdas genaamd Theodor Holman. Enkele jaren geleden nog pleitte deze meneer van Indonesische komaf hondsbrutaal voor een monument voor de witte slavenmeesters, omdat zij de slaafgemaakten uit Afrika zo verschrikkelijk veel goeds gebracht zouden hebben. Dus prefereerde hij een standbeeld voor de daders boven een standbeeld voor de slachtoffers. Maar eveneens de prominente Surinaamse historica Cynthia McLeod romantiseerde tot grote ontzetting van velen de slavernij in een omstreden documentaireserie. Mevrouw McLeod vond namelijk ook dat de slavernij de slaafgemaakten veel goeds had gebracht, want zonder gedwongen transatlantische migratie zouden zij nu zielige Afrikanen zijn geweest. Deze dame had de naam zeer erudiet te zijn, dus dat zelfs zij met droge ogen een dergelijke Hegeliaanse uitspraak deed, was des te verbijsterender. Helemaal toen zij niet lang na haar merkwaardige optreden een koninklijke onderscheiding mocht ontvangen, wat sterk de suggestie wekte dat ze beloond werd voor het romantiseren van de slavernij.

Hegel was een Duitse geleerde (1770-1831) die tot de grootste filosofen wordt gerekend die Europa heeft voortgebracht. Maar hij was tevens racistisch tot op het bot. Hij was vergiftigd met een gigantische minachting voor de Zwarte Mens en het continent Afrika en haar volgens hem niet bestaande rol in de geschiedenis. Zo schreef hij in  Lezingen over de Filosofie van de Geschiedenis: “Een andere karaktertrek in referentie tot de @#$% is slavernij. @#$% worden tot slaaf gemaakt door Europeanen en verkocht in Amerika. Hoe gemeen dit ook mag lijken, hun lot is in hun eigen land zelfs erger…Deze conditie is niet geschikt voor ontplooiing of cultuur, en zoals wij ze vandaag zien zo zijn ze altijd geweest…Bij deze verlaten wij Afrika, om het nooit meer te noemen. Want het is geen historisch onderdeel van de wereld; het heeft geen beweging of ontwikkeling te exhibitioneren.” Helaas stond Hegel in dezen niet alleen. Menig Europese wijsgeer heeft in die dagen vergelijkbaar gewauwel te berde gebracht, en zoals hierboven reeds aangegeven merken we helaas tot op de dag van vandaag dat zelfs de meest ‘geletterde’ zwarte mensen deze Hegeliaanse filosofie van de geschiedenis hebben verinnerlijkt. Ook zij zijn gaan geloven dat de transatlantische slavernij een geweldige gebeurtenis was omdat het lot van Afrikanen daardoor sterk is verbeterd. Daarop aansluitend willen ze evenals Hegel niets weten van de geschiedenis van Afrika omdat het geen historisch onderdeel zou zijn van de wereld (hetgeen je natuurlijk pas met recht mag verkondigen nadat je het grondig onderzocht hebt).

Deze Hegeliaanse filosofie van de geschiedenis van Afrika is een succesvolle variant op de welbekende Hegeliaanse dialectiek: het creëren van een probleem, het afwachten van de reactie en het vervolgens aanbieden van de eigen oplossing. Het probleem creëer je zoals gewoonlijk zelf: je bent mede vermogend geworden dankzij de slavernij maar weigert dit te erkennen. Dan is het wachten op de reactie van de woedende nakomelingen van de slachtoffers en vervolgens kom je met de oplossing door de slachtoffers van de (neo)koloniale onderdrukking te hersenspoelen met Hegels merkwaardige perceptie van de geschiedenis van de Zwarte Mens. Hierdoor schaamt de nazaat van het slachtoffer zich enerzijds voor de verre staat van dienstbaarheid van zijn voorouders, doch anderzijds is hij de dader (al dan niet heimelijk) juist zeer erkentelijk omdat hij door de dader gered zou zijn van de barbarij.

Geplaatst in Discriminatie

Over Djehuti Ankh-Kheru

Djehuti Ankh-Kheru is een schrijver, publicist, onderzoeker, dichter, die geïnspireerd is in onderwerpen als de wereldgeschiedenis, de bijdragen van Afrika en haar diaspora aan de wereldbeschaving, mentale slavernij en de oorsprong en geschiedenis van religie. Daarnaast zaken als geopolitiek, muziek en sport.