Cyclus

Op de achterbank van een taxi werd zij verwekt. Tussen een pizzadoos en lege blikjes Heineken spoot haar vader zijn zaad in haar moeder. Hij gromde, kneep zijn ogen op elkaar toen hij kwam, en dat was het. Twee minuten had die vetzak nodig gehad om dat hoertje, een kind nog, zwanger te maken. Een kick van een paar seconden, op de achterbank van een groezelige taxi in het holst van de nacht ergens in de achterbuurten van de stad. Negen maanden later was zij er. Welkom in het leven. U bent nu op planeet aarde. U werd niks gevraagd. “Hallo stelletje klootzakken” had ze geroepen en zette het vervolgens op een huilen.

Haar leven werd gevierd met een plastic bekertje champagne, daarna een joint. Daar lag ze, te huilen op een gore matras, ze schold de wereld om haar heen uit en vervloekte het universum.
Moeder lag out te gaan. Vader was al dood, zijn romp en hoofd werd drie weken later gevonden in een olievat drijvend op de stroming van het kanaal. Het kon niemand wat schelen, haar moeder al helemaal niet. Die was op haar zeventiende al lang blij die dikke pens van zo’n 46-jarige goorlap nooit meer op haar onderlichaam te hoeven voelen. Nooit meer te hoeven luisteren naar zijn vieze clichéwoordjes die hij fluisterde, hijgend en hees, als hij haar nam terwijl hij zijn puistenkop tegen haar hoofd duwde. Nooit meer horen hoe hij hijgde als een overjarig paard en als een meisje begon te gillen en kirren wanneer hij klaarkwam. Het was dat iemand al zo’n grote hekel aan hem had dat hij er aan ging, anders had ze het met plezier zelf gedaan. Ze was trouwens ook blij met haar dochter. Al gauw een minuut of tien. Daarna was ze haar vergeten.

Drie jaar na de bevalling werd bij haar moeder baarmoederhalskanker geconstateerd. Nog eens twee jaar later was ze van haar baarmoeder en eierstokken af om het nog negen jaar in relatieve gezondheid, de gezondheid van een crackhoer met kanker is per definitie erg relatief, vol te houden. Maar de laatste twee jaar was ze hard achteruitgegaan. De kanker had zich overal uitgezaaid en op haar 33ste hoorde haar moeder, een wandelend skelet met niets meer dan angstaanjagende duisternis in haar doffe ogen, hoe haar vonnis werd geveld. “Misschien nog zeven maanden, met de juiste chemotherapie wellicht een jaar”, had de arts gesomberd maar van die chemotherapieën was het nooit gekomen. Niemand was verder geïnteresseerd in voormalige tienermoeders die zich voor twee tientjes hadden laten bezwangeren op de achterbank van de zelfkant.

Toen haar moeder werd begraven stond ze samen met drie anonieme doodgravers naar de kartonnen kist te staren terwijl het ding samen met het lijk langzaam in een anoniem graf zakte. Een van de doodgravers gooide er een paar scheppen zand overheen, een priester murmelde wat, een kraai kraste, het begon te regenen, dat was dat. Geen bloemen, geen bezoek. Geen koffie en cake. Zelfs geen drank.

Diezelfde avond liet ze zich nemen in het toilet van de club waar ze haar avonden sleet en als volleerde barslet teerde op de zakken rijke en oude eenzame wanhopige mannen die alleen de clubs afstruinden in de hoop een jong ding te kunnen scoren. De man die ruw haar slipje uittrok en haar neukte, hijgde in haar oor dat hij haar al weken op het oog had en zeker wist dat hij haar een keer zou nemen. Nadat hij was klaargekomen en onhandig zijn lul stond af te vegen en zij duizelig haar slipje omhoogtrok, vertelde hij met onvaste stem dat hij een vrouw en kinderen had dus dat ze “niets moest verwachten”.
Ze antwoordde dat het haar niet uitmaakte wat hij verder met zijn vrouw en kinderen deed maar dat ze elke keer als ze zich liet neuken door veel oudere klootzakken zoals hij weer wist waarom ze leefde en tegelijk begreep waarom ze haar vader nooit had gemist.

Thuisgekomen kotste ze en mishandelde ze zichzelf met scheermesjes of sigarettenpeuken. Zelfhaat was haar stiekeme kostbare bezit en er was niets waardoor ze zich zo goed voelde als de pijn van een zelf toegebrachte wond. Daarna sleepte ze zich naar haar bed, slikte een slaappil, bevredigde zichzelf en viel in een diepe droomloze slaap om veertien uur later weer wakker te worden, stinkend naar het leven zelf en snakkend naar adem.

Bij de gedachte dat alles ook de komende duizenden dagen bij het oude zou blijven, werd ze overmand door een loodzwaar verdriet en even leek het alsof de dood haar was komen halen. Toen ze met lange uithalen huilde, vocht tegen de neiging te schreeuwen, wist ze dat ze nog altijd in leven was.
Vijf uur later rookte ze een crackpijp en hoopte ze zomaar dat ze snel zwanger zou worden.

Dit is een ingekorte versie van een artikel dat eerder op The Post Online verscheen

Geplaatst in Zelfkant

Over Bert Brussen

Bert Brussen (1975, Veluwe) schrijft sinds hij het alfabet leerde. Pecunia non olet. Is gek op geld & ironie. Tevens mensenmens, zonnetje in huis, gangmaker op feestjes. Persoonlijk motto: 'Het leven een hel'.