Als God op aarde

Op de ochtend dat ze hem kwamen halen, meldde Esteban Balbuena zich ziek bij zijn werk, gaf hij zijn moeder een afscheidskus zonder haar te wekken en nam hij kalm plaats op het houten krukje voor zijn huis, terwijl hij in de opkomende augustuszon staarde. Een salamander die lag uit te buiken tussen de lampionnen van een tomatilloplant gaapte hem aan terwijl hij voelde aan zijn snor: het opgeplakte bundeltje haar voelde aan als een fantoomledemaat.

Hij sloeg het ochtendblad open, bladerde door de pagina’s maar bleef slechts een enkele keer hangen bij een artikel. Op het afgesproken tijdstip stopte een grijze sedan op de parkeerplaats van La Laguna, de kruidenier in de straat. Balbuena legde de krant opzij, opende en sloot het gietijzeren hekwerk dat zijn tuin scheidde van de jungle die Mazatlan heette, liep op de openstaande achterdeur af en stapte in, een weeïge mengeling van tabakslucht en klam zitleer tegemoet. Een korte uitwisseling van blikken in de achteruitkijkspiegel gold als het vertreksein.

Eenmaal op de Avenida Fransisco Solis opende hij de envelop die naast hem op de achterbank lag. Het was er allemaal: het geld, foto met op de achterkant een naam en adres, gekrabbeld zoals je een boodschappenlijstje samenstelt. De man op de foto was een onbekende, de straat kende hij evenmin. Hij telde het stapeltje biljetten. Dit herhaalde hij en de palmbomen die de rijrichtingen van elkaar scheidden keken mee. De 24-uurs economie functioneerde hier als draaideur met de palmbomen als getuigen op de plek van de misdaad. Wat overdag legaal werd verdiend, werd hier ’s nachts clandestien verbrast aan seks, drugs en gokken.

Toen Nathalia nog leefde liepen ze vaak terug via de middenberm als ze waren blijven hangen in één van de vele restaurants langs Del Mar. Iedere palmboom die ze dan tegen kwamen hadden ze een naam gegeven.

Balbuena had vorige week al besloten dat de man op de foto nummer 29 zou worden. Het tellen gaf hem een geruststellend gevoel, alsof ieder slachtoffer ertoe deed en Balbuena’s schuld reduceerde. Hij keek naar buiten, de straten gleden voorbij.

‘Ik zet je af bij een blauw gebouw’ zei de chauffeur. ‘Vandaar loop je een stukje Calle Jorge Negrete in. Na een paar honderd meter zie je een blauw-wit gestreepte luifel. Daaronder  drinkt hij iedere morgen koffie met zijn broer.’

Hij liep een straat in zoals er vele waren in Mazatlan. Huizen in alle kleuren van de regenboog, perfect onderhouden exemplaren afgewisseld met vervallen krotten. Graffiti-spuiters lieten ’s nachts met wilde uithalen weten wie de baas was op straat. In de verte zag hij de luifel en twee mannen aan een tafeltje; zijn act begon.

‘Goedemorgen heren, mag ik u wat vragen? Ik ken mijn eigen stad niet meer en ben kennelijk verdwaald.’ vroeg hij de man op de foto.

‘Dit is een te gevaarlijke buurt om in te verdwalen’, antwoordde de man.

‘Waar moet u heen?’

‘Naar het dichtstbijzijnde treinstation.’

Balbuena nam de man in zich op, hij was geen opvallende verschijning. ‘Als u deze straat uitloopt en dan bij de supermarkt op de hoek linksaf slaat, volgt u de straat tot de garage van Juan Gomez. Daar slaat u rechtsaf en bent u binnen een paar minuten waar u wezen moet’. ‘Dank u wel’, zei Balbuena terwijl hij zijn Glock met demper trok. Met twee welgemikte schoten vervulde Balbuena zijn opdracht. Hij stopte het wapen weer weg en liep rustig in de richting die zijn slachtoffers hem hadden gewezen.

De volgende morgen, hij had zich nog niet beter gemeld op zijn werk, las hij in zijn ochtendblad niets over de liquidatie. Daarop liep hij naar een grote archiefkast in zijn slaapkamer en pakte een vergeelde krant van een stapel. ‘DODEN BIJ VUURGEVECHT DRUGSBENDES’ schreeuwde de voorpagina. Hij liep terug naar de eettafel, las het artikel nauwgezet, en nog eens. Een verzuchting volgde. In een ander exemplaar, van dezelfde stapel, hetzelfde. ‘SINALOA-KARTEL DOODT VROUW’ Hij schoof de krant van zich weg en liep de tuin in, nam plaats op het houten krukje, stond weer op, ging weer zitten.

Nu was hij zes jaar, drie maanden, twee dagen en 29 doden verder. Aan stoppen dacht hij niet, bang om gepakt te worden was hij evenmin. De politie was te druk met het tellen van steekpenningen en de bendes met het uitmoorden van elkaar. Voor een rechtbank zou hij dan ook nimmer verschijnen.

Wanneer hij ’s avonds in bed lag en de slaap nog niet kon vatten las hij voor zijn geestesoog de krantenkop: ‘DE RECHTBANK VERKLAART ESTEBAN BALBUENA ONSCHULDIG’. Niet lang daarna viel hij meestal in slaap. Als het straffen van tuig hem niet dichter bij Natalia bracht, dan in ieder geval toch verder ván het tuig. Een weinig troostrijke gedachte, maar wel de enige die hem op de been hield.