De schoonheid van vergankelijkheid 

We leven in een tijd waarin nieuw! een belangrijk kwaliteitskenmerk van producten is. Dit geldt in sterke mate voor kleding die per definitie elk seizoen in of uit de mode is, maar ook voor elektronica en zelfs gebouwen. Niet nieuw! is gevoelsmatig minder goed.

De levensduur van producten wordt in toenemende mate bepaald door smaak en technische mogelijkheden en steeds minder door de kwaliteit. Deze ontwikkeling heeft ook zijn weerslag op de architectuur. Geholpen door de mogelijkheden die de computer biedt, ontwerpen architecten steeds spectaculairdere bouwwerken. En met behulp van diezelfde computer kunnen ze ook worden gerealiseerd. Sommige gebouwen worden zo een showcase van de huidige technische mogelijkheden, maar ze verouderen daardoor net zo snel als de techniek voortschrijdt.

Of het nu om telefoons gaat, om auto’s, kleding of kantoren, slechts weinig halen het einde van hun technische levensduur. Dit kost veel grondstoffen en energie, maar het veroorzaakt ook een zelfversterkend psychologisch effect waardoor iets dat niet nieuw is als inferieur wordt gekwalificeerd.

En toch, we koesteren onze oude binnensteden en stellen in musea ons cultuurgoed tentoon. Een auto van 20 jaar oud eindigt op de schroothoop, terwijl een vijftig jaar oude wagen een dierbaar bezit is. Naarmate dingen ouder zijn, lijkt er een steeds grotere consensus te bestaan over wat mooi en waardevol is.

Op hetzelfde moment accepteren we het proces van veroudering maar slecht. We plamuren, verven en poetsen tot alles weer glimt en er uitziet als nieuw. Ook ons lichaam mag niet verouderen. Rimpels en andere tekenen van veroudering worden (samen met de gezichtsuitdrukking) weggespoten, bijgewerkt en opgevuld.

Maar zonder veroudering krijg je niet het patina van mooie oude materialen. Toeristen kopen daarom in brocantes een authentiek stukje Frankrijk om mee naar huis te nemen. Het is de behoefte aan authenticiteit die ontbreekt in een maatschappij waarin alles gemaakt en gekocht kan worden, behalve tijd. En alleen tijd geeft een object patina.

De oplossing: fabrieksmatig gepatineerde groenkoperen daken en natuurstenen gevels voor kantoorgebouwen. Natuursteen is mooi omdat het oneindig lang is samengeperst, dooraderd is en doorleefd. Het geeft het gebouw identiteit en authenticiteit, maar het is slechts een schil. Als bij de Potemkinsche Stadt kijken we naar een bordkartonnen buitenkant die de lelijkheid van de gestandaardiseerde betonbouw moet verbergen.

Het is niet wat het lijkt, het gaat om het effect, om de beleving. Een kapotte gevelplaat wordt daarom direct vervangen om de droom in stand te houden. De centra van steden zijn vermaaksmachines die worden gemanaged door citymarketingbureaus. En als de stad een pretpark is, dan moeten de attracties er piekfijn uitzien en de juiste uitstraling hebben.

Johnny Cash heeft vlak voor zijn dood het nummer Hurt van Nine Inch Nails opgenomen: ‘I hurt myself today, to see if I still feel. I focus on the pain, the only thing that’s real’.

Misschien is pijn inderdaad nog het enige echte in onze gedisneyficeerde vermaaksmaatschappij. Het schrijnende sublieme gevoel als iets je onverwachts even uit balans brengt, of als iets je stoort. Dat is sinds de Renaissance mede de rol van de kunsten, ook van de bouwkunst. Om de toeschouwer voorbij het algemeen geaccepteerde en bekende te laten kijken. Ferdinand Bordewijk schreef: ‘Wat onder het schone wordt verstaan is wel mooi, maar gebonden aan strenge wetten. Het neigt gauw naar het stomvervelende. Het lelijke kent geen wet’.

Ik pleit ervoor te accepteren dat objecten tijd nodig hebben om mooi (gevonden) te worden. Om deze periode te waarderen als een onderdeel van haar geschiedenis en identiteit. De reis is vaak interessanter dan de bestemming als je onderweg je ogen goed openhoudt.

Ik wil een lans breken voor alles wat niet nieuw! is. Voor zichtbare slijtage door gebruik en weersinvloeden. Voor patina en tegen fabrieksmatig patineren. Voor het accepteren dat niet alles bedacht en maakbaar hoeft te zijn. Voor verandering door tijd, voor toeval en het oncontroleerbare. En bovenal voor het anders kijken naar, en denken over veroudering.

Veel gebouwen staan op de nominatie om gerenoveerd of gesloopt te worden. Ze voldoen niet meer of zijn domweg uit de mode. Voor deze gebouwen is een nieuwe visie, een strategie nodig om ze economisch rendabel te maken met behoud van hun identiteit. Zodat ze de tijd krijgen om te verouderen en om hun vergankelijkheid zichtbaar te laten zijn. Om ons een blik te gunnen over het hek van het pretpark, naar de echte wereld.

Het vraagt om een intelligente ingreep die het oude in zijn waarde laat en de geschiedenis leesbaar houdt. Maar die het daarbij voldoende functioneel en aantrekkelijk maakt voor gebruikers, bewoners en passanten. Het ontwerpen van de maximaal toelaatbare imperfectie. Een subtiel, voortdurend veranderend evenwicht tussen chaos en orde, tussen oud en nieuw. Het contrast versterkt het beeld en toont wat anders verloren gaat: de schoonheid van vergankelijkheid.

Tussen nu en dan: kunnen we ‘Leven met Sterven’?

We spreken in het Boeddhisme over drie kenmerken van bestaan: de ‘drie Dharma seals’.

Het eerste kenmerk, ook verwoord in de eerste van de ‘Vier Edele Waarheden’ van de Boeddha, is de fundamentele onbevredigdheid van het menselijk bestaan. Zodra er leven is, we geboren zijn, is er ook lijden. Het Sanskriet woord ‘Dukkha’, meestal vertaald als ‘lijden’, betekent letterlijk een wiel waarvan de as aanloopt. Het loopt niet lekker, het stokt, het stroomt niet, het schuurt. Zelfs in periodes van het tegenovergestelde van Dukkha, namelijk ‘Sukkha’, als alles meezit, op rolletjes loopt, ligt de angst op de loer dat we dit weer zullen verliezen.

En dat klopt ook, want het tweede kenmerk van bestaan is dat alles vergankelijk is: ‘Annica’. Alles wat ooit is ontstaan, zal ook weer vergaan. Niets blijft hetzelfde, alles is in voortdurende verandering. Ons lichaam, onze emoties, onze meningen, alles om ons heen, de situatie in de wereld, alles is aan constante verandering onderhevig. Ik woon nu aan de Waal en loop er graag even naar toe. De rivier stroomt soms snel, soms langzaam, het water staat soms hoog, dan weer laag, het licht is altijd weer anders.

Voor een rivier vinden we dat wel oké, maar in ons leven houden we meestal niet zo van al die veranderingen. Als de dingen goed gaan, willen we dat het zo blijft. We willen zo graag houvast, zekerheid, overzicht, controle. We willen het liefst een stukje dijk om dat water heen bouwen. We maken er liever een voorspelbaar, overzichtelijk poeltje van. Maar: dan is ook het leven er uit; er is geen stroming, geen beweging meer. Bovendien gaat stilstaand water al snel stinken! En dan zijn we weer terug bij het eerste bestaanskenmerk: onvrede, dis-ease. Heraclitus zei al: “You never step twice in the same river. Everything flows and nothing abides”.

Vergankelijkheid wordt vaak vooral gezien als iets negatiefs: we kunnen niets vasthouden. Of zoals Herman van Veen het zei: “Lieverd, dit leven is als sneeuw. Je kunt het niet bewaren!” De Boeddha geeft aan dat vergankelijkheid ook het goede nieuws is: zonder verandering / vergankelijkheid is er namelijk geen leven mogelijk. Een zaadje zou altijd een zaadje blijven, wat betekent dat ook geen gewassen zouden kunnen groeien die ons voeden. Een baby zou altijd baby blijven en nooit opgroeien. Pijn zou eeuwig pijn blijven, een plan nooit tot uitvoer gebracht worden.

Het derde kenmerk van bestaan – dat ook voortkomt uit die constante verandering – is dat alle verschijnselen daarom ook geen onafhankelijk, blijvend, inherent, zelfstandig bestaan hebben: Geen-zelf, ‘Anatta’, en ‘Shunyata’ in het Boeddhisme.

Het werkelijk doorzien van ‘impermanence’ leidt tot de ontdekking / ervaring van ‘geen permanent zelf’. Het besef van ‘Geen-zelf’ / Sunyata leidt tot Nirvana, ware vrede, het opheffen van Dukkha. Het woord ‘Nirvana’ betekent onder andere het ontbreken, wegvallen van alle concepten en het uitdoven van alle strevingen. Vrijheid, vrij van concepten, dus ook van ideeën over Geen-zelf, vergankelijkheid, Nirvana!

Als je vergankelijkheid helemaal accepteert, dan kan je je overgeven aan het leven zoals het zich aandient. Dan kan je ten volle ‘Leven tussen nu en dan’.

De Boeddha benadrukte al het belang van stilstaan bij het feit dat we eens zullen sterven als een zeer belangrijke spirituele beoefening: “Van alle meditatie oefeningen is er geen als die over de dood”. Het besef en aanvaarden van de onvermijdelijkheid van de dood is een manier om ons leven te verrijken en bewuster te leven. Het kan helpen om onze angst voor de dood te transformeren en een diepe dankbaarheid, waardering voor dit leven oproepen.

Wat is het wat ons zal kunnen helpen, los van het diepgaand accepteren dat we sterfelijk zijn? In de zen traditie zien we de dood vooral als een onkenbaar mysterie en erkennen we dat we het niet weten. En desondanks worden we aangemoedigd om ‘the great matter of life and death’ volledig te doorgronden en te doorzien. Tijdens zen retraites wordt aan het einde van elke dag op indringende wijze door een persoon gezongen: “Life and death are of supreme importance. Time swiftly passes and opportunity is lost. Let us awaken, awaken. Take heed!! Do not squander your life!” Een oproep om wakker te worden, te ontwaken en je leven niet te verkwisten.

Tussen nu en dan: kunnen we Leven met Sterven? Jazeker, en volgens mij kan meditatiebeoefening bijdragen aan het leren loslaten, elke uitademing weer. Ervaren dat geen enkele gedachte of emotie blijvend is en uiteindelijk ‘leeg’ van een solide zelfstandig bestaan, net als dat wat wij ‘ik’ noemen. Dat ‘ik’ dat eens zal sterven. Hoe meer we onze vergankelijkheid en sterfelijkheid kunnen omarmen als natuurlijk onderdeel van ons leven, hoe meer we NU ten volle kunnen leven!

Zie ook het filmpje ‘De schoonheid van vergankelijkheid': http://holistik.nl/alan-watts/

P.S. Voor de langere versie van dit artikel (dat eerder bij http://www.vriendenvanboeddhisme.nl verscheen) zie  “http://www.zenspirit.nl/”

Metamorfose

In zekere zin bestaat de taak van de historicus eruit de vergankelijkheid te beschrijven van al wat door de mens in het verleden gecreëerd is. Immers, strikt genomen omvat het werkterrein van een historicus slechts die onderwerpen die zich reeds aan de eindigheid hebben onderworpen. Of het nu het Romeinse Rijk betreft, waarvan het oostelijke deel zich dankzij een metamorfose nog tot 1453 n.C. heeft weten staande te houden, of het Duizendjarige Rijk van Adolf Hitler dat het nauwelijks twaalf jaar heeft volgehouden, alles heeft zijn meerdere moeten erkennen in de eindigheid. Wanneer hier betoogt zou worden dat ook onze beschaving ooit ten onder zal gaan, zou het een kort betoog zijn. Niets is minder waar.

Historici hebben in minder strikte zin echter ook een andere taak, namelijk via het verleden het heden en toekomst te duiden. Dit klinkt verheven, alsof een historicus de toekomst kan voorspellen. Dat is geenszins het geval, maar een historicus is wel in staat om structuren en mechanismen aan te wijzen die terugkerende patronen in de geschiedenis blootleggen.

Wat dat betreft leven we in interessante tijden. De Europese, of wellicht de hele Westerse beschaving wordt in de ogen van velen van binnenuit als van buitenaf bedreigd: als het niet de Europese Unie is die het verderfelijke kapitalistische systeem middels een absurdistische bureaucratie koste wat het kost in stand wil houden, dan is het wel de opkomst van China of de tsunami aan vluchtelingen die ons kapotmaken.

In reactie hierop schreeuwt de massa moord en brand, waarbij een deel antikapitalistische wetgeving bepleit en een deel roept om een leider, die de deur tot “Fort Europa” met harde hand in het slot zal gooien. Onderling verwijten deze twee stromingen elkaar in de vulgairste termen respectievelijk neocommunistisch of neofascistisch te zijn. De sociale media worden hierbij steeds vaker een open riool genoemd, waar bagger naar hartenlust gestort kan worden.

De huidige stand van zaken roept gevoelens van onzekerheid over de toekomst op. Gevoelens die wellicht overdreven genoemd kunnen worden. Zoals de onvolprezen historicus Huizinga in het voorwoord van zijn Magnum Opus Herfsttij der Middeleeuwen opmerkt, kan het voorkomen dat wanneer ‘de opmerkzaamheid steeds gericht (is) op neergaan, uitleven en verwelken’, er een ‘schaduw des doods over het werk (kan)…vallen’. Zo kan het in tijden wanneer het volkskarakter de neiging heeft zich te richten op het pessimistische ook in het echte leven zijn.

Toch mag niet vergeten worden dat wat door mensen gemaakt is, ook door mensen kan worden afgebroken. Hoe stevig instituties middels wetten, verdragen en machtsmiddelen ook verankerd lijken, er kan altijd iets nieuws voor in de plaats komen. Zo verging het bijvoorbeeld de Pax Romana en het communistische systeem, en zo kan het ook de Europese Unie vergaan.

Het is ontegenzeggelijk waar dat de positie van Europa in het mondiale krachtenveld aan het veranderen is. De 21e eeuw is al de “Aziatische Eeuw” genoemd en daar is veel voor te zeggen. Het kapitalistische systeem blijkt niet het antwoord op alle vragen te zijn, zoals door veel neoliberalen werd gedacht na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Het Chinese model, een soort mix tussen kapitalisme en totalitarisme, lijkt steeds meer de overhand te krijgen en een voorbeeld te zijn voor regionale grootmachten als bijvoorbeeld Turkije. De verschuivende machtsbalans versterkt daarbij de toch al bestaande onrust in het Midden-Oosten en Afrika, waarbij Europa de meest gewilde eindbestemming van vluchtelingen blijft.

Echter, hierop reageren vanuit de positie van iemand die alles te verliezen heeft, is zeer gevaarlijk. Het veroorzaakt paniek en opent daarmee de deur voor allerlei economische experimenten waarvan nooit is bewezen dat zij de wereld wel beter zullen maken, of voor types die een grote angst voor alles wat hen onbekend is aan de dag leggen. Types die ons misschien gewild of ongewild in conflicten zullen storten waarvan de uitkomst ongewis zal zijn.

Beter is het om pragmatisch te blijven. Europa is nog steeds een macht van belang, mits er enige vorm van eenheid blijft bestaan. Wellicht is de Europese Unie in zijn huidige vorm niet langer houdbaar en moet zij niet langer invloed willen uitoefenen op alle beleidsterreinen van haar lidstaten. Misschien moet zij terug naar de kern, namelijk conflicten binnen Europa voorkomen en bijdragen aan vrede en veiligheid in de wereld.

Er waren twee wereldoorlogen voor nodig om de mens te laten beseffen dat een geciviliseerde wereld niet als vanzelf ontstaat, maar telkens weer bevochten dient te worden. Heden ten dage lijkt men dit weer uit het oog te verliezen, maar het is aan ons: gaan we wederom voor een tot mislukken gedoemd avontuur met een sterke man, of gaan we voor een metamorfose, zoals het Oost-Romeinse rijk voor ons. Want dat onze beschaving ooit ten onder zal gaan is zeker, maar dat hoeft in de nabije toekomst zeker nog niet het geval te zijn.

Hier moet ik naar terug

Ergens in de verte, naar het scheen uit alle richtingen, galmden kerkklokken, het woud bleef verder stil. Eindelijk kwamen we bij ons land. We zagen de houten schuren, de gebouwen, de kale fruitbomen, het woonhuis. Er schuifelden silhouetten door de sneeuw. Familie, bekenden, iedereen uit de omgeving, zo leek het. Bij de poort stonden twee grote kaarsen. Er stond een vrouw bij die tevergeefse pogingen deed om ze brandend te houden.

Centraal in het woonhuis lag de oude man opgebaard. Zijn lichaam was nagenoeg verdwenen in de glimmende bekleding van een veel te grote kist. We bogen ons hoofd en mijn moeder kuste het kruis dat op zijn borst was gelegd. Toen legde mijn vader een hand op mijn schouder. Het was mijn beurt. Onzeker schuifelde ik naar voren. Hij had me op het hart gedrukt dat ik niet bang hoefde te zijn. Nergens voor nodig. Mama’s papa, moj deda, mijn opa had vrede gevonden.

Ik gilde. Mijn moeder gilde terug.

‘Bog te posrao, majmune. God schijt op je, domme aap,’ snauwde mijn vader en kleurde direct rood van schaamte voor zijn eigen lompheid.

Doordat alle kracht uit het gezicht van de oude man was verdwenen, vormden de groeven in zijn gezicht een diabolische grimas. Ik wilde me afwenden maar staarde gebiologeerd naar de demon die voor me lag. Toen begonnen de muren te wankelen. Ik dreigde naar achter te vallen. Drie in het zwart geklede dametjes, die zichzelf de regie hadden gegeven, vingen me op en voerden me kordaat af, terwijl ze een gebed begonnen te zingen.

We bleven drie dagen en gaven ons over aan de zwarte dametjes, die ons onderdompelden in een kalmerende wereld van onwrikbare rituelen. De vrouwen wasten de kleren voor de mannen, de mannen voor de vrouwen. Twaalf handdoeken gebruikten we. We zongen gebeden, bakten het dodenbrood, waakten om beurten bij de kist.

Op de derde dag was de begrafenis. Ik moest een kruis dragen naar de rand van ons land. Achter me ploeterden de mannen door de sneeuw met de kist op hun schouders, gevolgd door de vrouwen, die het eten droegen. Mijn vingers en tenen deden pijn van de kou. Na drie dagen verblijf in de houten schuren verlangde ik naar ons huis in de stad, naar de behaaglijke warmte.

De dag ervoor was er al een kuil gegraven. Blijkbaar had iedereen het koud, want de mannen gingen direct aan het werk met de graflegging. Terwijl de drie dametjes over het gejammer van mijn moeder probeerden heen te zingen, zakte de kist naar beneden.

Ik dacht aan de oude man. Aan de overweldigende geur van teer. Aan het legermes, de bootjes. Hoe hij me had gered van de beer. Mijn opa, nu in de kist, met de grijns van de duivel op zijn gezicht.

De kist schoot los en viel met een harde klap op de bodem van de kuil.

‘Jebote. Sorry, mijn handen,’ bromde mijn vader. ‘Geen gevoel meer.’

Toen het gat min of meer was dichtgegooid, spreidden de dametjes een tafellaken over het graf en zetten alle eten erop. De verkleumde rouwstoet viel schaamteloos aan. De dametjes deelden žito rond, gekookte tarwe met suiker. Žito en šljivovica. Eerst op de grond, daarna in de glazen. Ik kreeg ook. De alcohol boorde een gat naar mijn maag als warm water in de sneeuw.

‘Je eerste šljivovica,’ fluisterde mijn vader me trots toe. Hij sloeg me hard op mijn rug, terwijl hij dramatisch een traan uit zijn oog liet biggelen. Ik had hem nog nooit zien huilen. Was het de kou, de drank, de emoties? ‘Jebem ti mater, mijn zoon wordt een man.’

Ik maakte hieruit op dat ik de filmdagen met Dragan Strinić succesvol geheim had gehouden. Ook de gewonnen en verloren verliefdheid op Vesna Stulić moest hem zijn ontgaan.

Zijn onwetendheid ontroerde me. Schuldgevoel borrelde bij me op. Zoals alle kinderen, wilde ik geen geheimen voor mijn ouders hebben. Nenad en Branka, het schitterende echtpaar: James Bond en het guitige bloemenmeisje. Noest werkende arbeiders waren ze geworden, ouders die zich nooit opdrongen, die er altijd waren. Een deken die ik over me heen kon trekken, wanneer ik wilde.

Ik barstte in tranen uit. Niet om mijn opa, misschien ook om mijn opa. Mijn ouders sloten me in hun armen, waardoor ik nog harder begon te huilen.

In de lente gingen we terug de bergen in. De tocht was een stuk eenvoudiger. Aan de rand van ons land stond een grafsteen van donker marmer. Op de steen zat een wazige zwart-witfoto bevestigd van een jongeman met een volumineuze snor. Ik herkende slechts zijn šajkača, de typische, in een V geplooide hoed. Uit de zerk stak een kraantje, waaruit water sijpelde. IJskoud bronwater.

Moram da se vratim, moji Nils. Hier moet ik naar terug.

 

fragment uit de roman ‘De wetenschap van Tara’